NAAR AANLEIDING VAN DE WERELDTENTOONSTELLING 1985
IN DE R.A.I. IN AMSTERDAM
werd pagina groot in het dagblad “De Telegraaf” van zaterdag 15 juni 1985
een interview geplaatst met G. de Josselin de Jong
"Het is makkelijker om een leeuw te laten gehoorzamen dan zo'n makke, eigenwijze hond," verkondigt de heer G. de Josselin de Jong. Hij spreekt uit ervaring. Was ooit dompteur in de leeuwenkooi van het grote circus Hagenbeck.
|
De bolhoed, zorgvuldig gekozen uit een collectie van vier in verschillende tinten, ligt klaar voor de Wereldtentoonstelling in Amsterdam. De witte slobkousen horen er ook bij. “Daar hoef je niet naar te gaan zoeken, want je weet toch dat je die hebt weggeven? “ roept mevrouw de Josselin de Jong naar haar man.
“Weggegeven?” roept die verschrikt. En het volgende moment verontwaardigd: “UITGELEEND! Aan Koos. En toen heb ik gelijk gezegd dat hij ze niet mocht houden, daar ben jij geen man voor, te kort, te dik en te gereformeerd! “
De heer Gisbert de Josselin de Jong zal dus zoals gebruikelijk in stijl kunnen verschijnen op de ‘Winner’ de grootste hondententoonstelling ooit buiten Engeland georganiseerd, waar dit weekeinde de 10.001 mooiste honden ter wereld zullen strijden om het Wereldkampioenschap in hun klasse. Hij zal er de kijkers vertellen wat er voor bijzonders te zien is. Want hij weet álles van honden.
“Wat hij doet is geen commentaar leveren, maar college geven,” schreef onlangs nog de Leeuwarder Courant.
“Maar als ik daar dan sta tussen al die duizenden honden, zal ik me weer afvragen: hoe is het toch mogelijk geweest dat de mens in de oertijd bevriend is geraakt met de wolf en die heeft weten te vormen tot al de 440 hondenrassen die er nu zijn?” Dat is voor hem nog steeds de grote fascinatie. “De verschillen tussen de reusachtige Ierse Wolfshond met een schouderhoogte van 90 cm en de kleine chihuahua’s waarvan je er drie in je binnenzak kunt steken…. Vergelijk dat eens met de katten die allemaal even groot gebleven zijn en feitelijk maar uit drie rassen bestaan: de Siamees, de Europeaan en de langhaar die aan Perzië wordt toegeschreven.
De Josselin de Jong, 84 inmiddels, maar buitengewoon kras: “Alleen wat last van die verrekte trilziekte waardoor soms bij het serveren van een glas wijn het tafelkleed meer geniet dan ik”. Heeft zich een leven lang geïnteresseerd voor dieren, vooral duiven, paarden en honden. Hij heeft er naar schatting tachtig gehad. “Maar momenteel hier in Bovenkarspel wat klein behuisd, dus voor het eerst géén fikkie in huis. Als ik wat ruimer ga wonen, neem ik er waarschijnlijk wel weer twee of drie. Hoewel: je wordt steeds ouder en je moet er dan toch rekening mee gaan houden dat het wel eens te veel kan worden om elke dag in striemende regen en wind met die makkers naar buiten te gaan.
Gisbert de Josselin de Jong 'grand old man' van de hondenwereld kan bogen op een enorme ervaring. Zo was hij ooggetuige van een experiment dat uniek was in de wereld en waaruit één van de 440 bestaande rassen ontstond..... Hij had een Duitse herder die nog had meegevochten in de loopgraven…." **(** zie noot) |
“Dat was bij Leendert Saarloos in Dordrecht. Van oorsprong een scheepskok op de grote vaart, later elektricien maar failliet gegaan en toen alleen maar bezig geweest met het verwezenlijken van z’n ideaal. Dat was van de Duitse herder weer een stoere wolf te maken, die eigenhandig jonge dames uit de greep van gewetenloze schurken zou redden en poema’s op de vlucht kon jagen. Een heel aparte man. Als scheepskok ging hij in verre vreemde landen niet de havenkwartieren in om zich daar kostelijk te amuseren, maar ging lama’s en karbouwen bekijken. En toen voor mij in de oorlog de nood aan de man kwam omdat de Duitsers me nodig hadden vanwege mijn talenkennis en ik moest onderduiken, was hij de man die me hielp. Al mijn rijke vriendjes hadden een goede reden om me niet te helpen of een vrouw die daar nachtmerries van zou krijgen, maar Leendert zei: “Kom direct maar.”
“Hij was toen al een heel eind op weg met zijn experiment. Hij had om te beginnen een Duitse herder genomen die nog had meegevochten in de loopgraven tijdens de Eerste Wereldoorlog en had die gekruist met een wolvin die hij had gekocht van de diergaarde Blijdorp. Hij had zich enorm laten imponeren door boeken als ‘Kazan de wolfshond’
Dierpsychologische treinlectuur. En maakte daardoor z’n grootste vergissing: de stoere wolf uit de verhalen bestaat namelijk niet. Een wolf gaat altijd op de vlucht. En die schuwheid, die argwaan van het wilde dier domineert bij de nakomelingen. Wat hij wilde was vers bloed uit de steppen en de poesta inbrengen in een gedegenereerd ras, maar wat hij kreeg was een heel nieuwe hond en lang niet zo agressief als de herder.”
Saarloos overleed in 1969 in de overtuiging volledig geslaagd te zijn, maar daarover heb ik m’n twijfels.
Ik ben zelf Ere-voorzitter of zo van de Nederlandse Vereniging van Saarlooswolfhonden en gisteren had ik mevrouw Diny Pielanen-Degenhardt, één van de grootste pleitbezorgsters voor dit ras, nog aan de telefoon waarbij ze me ook nog vroeg om een goed woordje voor het ras te doen, maar ik heb haar gezegd dat ik óók zal blijven zeggen wat ik altijd gezegd heb: Het is een puur gezonde hond geworden, maar bangelijk.
Reageert genoemde Diny Pielanen gedecideerd: “het is zo ongeveer de enige echt gezonde hond die er nog is. De krankzinnige schoonheidseisen bij veel andere rassen hebben alleen maar geleid tot excessen. Neem de Franse bulletjes, hoe groter hoofd, hoe beter. Maar de kampioen is zó topzwaar dat ie voorover valt. En dan de Pekinezen, als ze een keer hoesten springt er een oog uit. Of de Chow Chows met die korte neuzen waardoor ze geen lucht kunnen krijgen en door ademnood zo maar dood neer kunnen vallen. Ik heb de afgelopen vijftien jaar ook heel wat afgejankt om die Saarlooswolfhond, want twee of drie keer leek het er op dat het ras verloren zou gaan, maar dit weekeinde zijn we met een record van 36 Saarlooswolfhonden op de Wereldtentoonstelling in de R.A.I. Misschien wat terughoudende honden, afwachtend zo u wilt, maar kerngezond en zonder erfelijke gebreken en dat is wat nog maar van héél weinig hondenrassen gezegd kan worden.”
De Josselin de Jong glimlacht mild. “De emoties lopen in de hondenwereld vaak geweldig hoog op.” Hij heeft geen moeite om daar afstand van te nemen. Hij is patriciër.
….”Nee, nee, u hoeft het niet te ontkennen want u bent gezien….”
“Ik heb het tot nu toe in dit gesprek genegeerd, want ik vond het een beetje egotrippisch, maar soit, u begint er nu over en dan moet ik inderdaad melden dat ik weliswaar niet in het rode boekje van de adel sta, maar wel in het blauwe boekje van de patriciërs,” zegt onze kleurrijke, aimabele gastheer. “mensen schrijven me herhaaldelijk aan met ‘weledele heer’,alsof ik een metselaar ben. Maar het is weledelgeboren heer. Zoals hier in de correspondentie van ‘Cynophilia’ goed is gebruikt. U weet wat ‘Cynophilia’ is? “
Een nogal chique kennelclub??
“Nou…… vooruit, zo mag u dat wel samenvatten. Van oorsprong was de hondenfokkerij natuurlijk een elite zaak.
Alle hondenrassen zijn ontstaan in de twee groepen mensen die de wereld kent: degene met geld en die het zónder moeten doen. De adel die op jacht ging, had daarvoor honden nodig, maar ook voor bewaking van het eigen bezit. Greyhounds, bloedhonden en mastiffs hebben zo’n feodaal verleden. De kleine man die z’n veertig schaapjes moest beschermen en z’n eigen wild moest schieten, had weer behoefte aan een ander soort honden en zo ontstonden de herdershonden. Stropers hadden een zelfstandig in het riet of konijnenhol werkende hond nodig en zo kreeg je de terriër, die ook gebruikt werd om de vossen uit de holen te halen. Dan had je nog de honden van heel nederige komaf, de dogachtigen die als trekhond werden ingezet en gezelschapshonden als de Maltzertjes voor de dames die zich thuis zaten te vervelen in hun kuisheidsgordel, want de heren waren in die tijd veel van huis, zoals u weet. “Maar de echte hobby, het fokken van honden was in de vorige eeuw echt een zaak van adel en patriciërs. Hier in Nederland waren een van Tuyll van Serooskerken en jonkheer Röell de grondleggers van de kynologie. Pas na de Tweede Wereldoorlog werd ook de kleine man massaal aangetrokken tot deze hobby en volledig geaccepteerd. Dat was voor die tijd niet vanzelfsprekend. We hadden eens een uitstekende voorzitter, baron Tindal. Werd ik op een dag opgebeld door z’n secretaresse en bij hem op kantoor ontboden. Ik kwam binnen en wilde gaan zitten, maar hij zei; “Blijf maar staan, want we zijn zo klaar. Ik heb geconstateerd dat u na een show in Tilburg aan de bar biertjes hebt staan drinken met het proletariaat. Nee, nee, u hoeft niet te ontkennen, want u bent gezien.” Ik bracht er tegenin dat het weliswaar gewone mensen waren geweest, maar tevens bekwame keurmeesters. Maar de baron zei: “Als dat nog één keer gebeurt, donder ik je uit de vereniging.” En toen kon ik weer gaan. Zo ging dat in de kynologie tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog.”
Er is toch nóg een chique Kennelclub, de ‘Kunagonda’, waarin veel baronessen zitten?
“Laten we daar maar voorzichtig mee zijn, “ verzoekt de speaker van de Wereld Winner ’85.
“Dat is een vrouwenclub van fokkers en liefhebbers van de rashond waar inderdaad nogal streng wordt geballoteerd, maar men is daar overgevoelig om gediscrimineerd te worden. Ik wil er daarom alleen maar op wijzen dat in Engeland een kampioenschap dat behaald wordt op een tentoonstelling die is uitgeschreven door de Ladies Kennel Association in zéér hoog aanzien staat. En wat de Nederlandse dames betreft moet ik zeggen dat ik alleen maar lovend kan spreken over hun rol in de kynologie. Zoals voor de oorlog de beroemde baronesse van Hardenbroek van Ammerstol, die trouwde met van Hardenbroek van de Kleine Lyndt, ongelooflijk veel gedaan heeft voor het behoud van de Nederlandse kees, waarna ze zich ook nog op het Oudhollandse brakje heeft geworpen. Alles als barrière tegen de invasie van de Engelse hondenrassen na de Eerste Wereldoorlog.”
De heer Gisbert de Josselin de Jong ziet terug op een rijk leven. Werkte in het bankwezen, bij de radio, het circus en in de reiswereld. Bedacht en lanceerde in 1937 voor de AVRO de eerste quiz in Nederland: ‘Hersen gymnastiek’.
Vanaf de eerste uitzending een doorslaggevend succes. “Drie zakken post kregen we, terwijl het record op dat moment stond op een halve zak.”
Hij werd door de directeur van het toenmalige beroemde circus Hagenbeck bij een toevallige ontmoeting aan de bar overgehaald om de bank te verlaten en dompteur te worden, omdat hij zoveel van dieren wist. “Daar leerde ik dat een roofdier veel eerder commando’s zijn te leren dan een makke hond. Dat heeft allemaal te maken met de ‘kritieke afstand’ de c.a.-factor zoals wij dat noemden. Dat is iets waarmee elk levend wezen onbewust rekening houdt. Mensen doen dat ook. Bewaren intuïtief een zekere afstand. Bij wilde dieren is dat heel sterk. Die bewaren altijd zo’n 1 meter 30. Kom je dichterbij, dan deinzen ze achteruit en zo kun je ze in de leeuwenkooi dwingen bepaalde posities op commando in te nemen. Een hond is zó gewend aan mensen dat hij niet instinctief terugdeinst en is daardoor veel minder makkelijk te dresseren.
Wat hebt u nou van het leven met honden geleerd?
“Ik heb er van geleerd me neer te leggen bij m’n lot. Nu regent het, morgen sneeuwt het of schijnt de zon. Het zij zo. Laten we er iets leuks van maken.”
De hondenwereld staat per definitie bol van kleinzielige ruzietjes, zodat we wel mogen vaststellen dat u zich nogal onderscheidt met zo’n conclusie.
Maar ondanks alle problemen die er zijn zal de heer de Josselin de Jong vandaag met plezier z’n bolhoed opzetten en z’n slobkousen aantrekken, om in deze stereotiepe uitmonstering, die zijn handelsmerk is, de duizenden bezoekers in de RAI uitgebreid te vertellen over al het schoons dat er in de Ere-ring te zien zal zijn. En dat is het enige waar het dit weekeind om gaat: de schoonheid van de rashond.
“Wat kan die hond, heeft-ie een rot karakter, bijt-ie kinderen, plast-ie op het tapijt, dat soort zaken komt allemaal niet aan de orde, “ legt hij uit. “Er is maar één beperking. Als een hond uitschiet naar de keurmeester en hem bijt kan die zeggen: “Ik keur hem niet meer.” Het hangt van de stemming van de keurmeester af of hij dat doet, maar hij mág het. Voor al het overige telt alleen de schoonheid. Het gaat om het kunstprodukt als zodanig, om de pure beauté.”
Tot zover “De Telegraaf”

Op deze Wereldtentoonstelling in 1985 te Amsterdam waren maar liefst 36 Saarlooswolfhonden ingeschreven die werden gekeurd door mw. J.H.C. Brooijmans-Schallenberg en waar mijn honden, én de door mij gefokte honden, mooie resultaten behaalden.
De keuring van de Saarlooswolfhonden vond plaats op het dak van de RAI waar een flinke wind waaide die dag.
Mijn eerste nestkeus uit het nestje van Gajouchkin X Elinka Frida van Hoeve Welgelegen, het wolfsgrauwe teefje Walewska Wirini van Hoeve Welgelegen, behaalde in de Jeugdklas 1 Uitmuntend en werd Jw ’85 en JWW ‘85
In de Openklas reuen behaalde Iyouri Ithalat Timberley 1 Uitmuntend CAC CACIB en werd Wereldwinner ‘85
Bovendien werd hij BOB
In de Openklas teven had ik Thamar Tsarina Timberley ingeschreven en kreeg zij 1 Uitmuntend CAC CACIB en ook zij haalde de titel Wereldwinner ’85 binnen.
In de Kampioensklas teven behaalde Gajouchka 1 Uitmuntend Res. CAC Res. CACIB


Ingeschreven was een aantal van 46 groepen in de Groepsklas, die werden gekeurd door mw. R.F. Hermandez (Mexico). De groep Saarlooswolfhonden van kennel ‘Timberley’ t.w. Taljochkin Tincha Timberley / Thamar Tsarina Timberley / Elzah-Timber van Hoeve Welgelegen en Gajouchka behaalde daarin de 3de plaats.
Met vier Saarlooswolfhonden in je linkerhand tussen 45 andere groepen een aantal keren in volle draf, om het soepele gangwerk van de Saarlooswolfhond goed te kunnen laten zien, de Erering rondgaan….. wie doet me dat na???
Dat ik daags na de Wereldtentoonstelling een week lang geen trappen heb kunnen lopen van de spierpijn wist ik op dat moment nog niet.
Maar het is niet voor niets geweest: de Groep Saarlooswolfhonden met een 3de plaats is een heel mooi resultaat.

Diny

(een stukje, kort na de Wereldtentoonstelling geschreven door de heer de Josselin de Jong over het congres dat drie dagen voor de Wereldwinner plaats vond in de RAI)
LOSSE OP- EN AANMERKINGEN ........
Drie dagen vóór de WERELDWINNER hield als organisatrice de Kon.Ned. Kennelclub Cynophilia, opgericht 1 april 1890, waar mijn persoontje lid van is, te Amsterdam een - tegen betaling van f 50,- incl. lunch(je) - ook voor niet leden toegankelijk Congres.
Gehouden zijn lezingen met of zonder dia's en films door Engelstalige specialisten als 'n Amerikaanse Dr. Q. LaHam, en ik meen Britse heer C.M. Brown alsook 'n causerie door de kynologische schrijfster Mrs. R. Page Elliott.
Vrijwel alle causeries hadden als hoofdonderwerp de - bij ons voor het keurmeestersexamen benodigde - Bewegingsleer; vooral de Hoeking is filmisch gedemonstreerd en, vanzelfsprekend gehekeld en bekritiseerd.
De reden waarom deze samenkomst hier zij het kort aangestipt wordt is o.a. déze, dat we onder de honderden aanwezigen ook uw en ons, aller voorzitter Frits Pielanen aantroffen, iemand die als drukbezet zakenman anders principieel zelden of nooit door-de-weekse evenementen zal meemaken laat staan die aflopen. Je staat trouwens toch verstomd hoeveel werkende mensen zich schijnbaar kunnen, willen of mogen vrijmaken voor, zij 't dan ook léérzame, kynologische "pretjes".
Hoe 't zij het pleit voor èn de liefde voor zijn en ons aller SAARLOOSWOLFHOND én diens inzet voor ook de wetenschappelijke kant van de rashondenteelt!
Ter geruststelling van diegenen, die geen Engels kennen, zij aangestipt, dat er tegenwoordig aan iedere stoel een vertalend gehoorapparaat verbonden zit waardoor men in een vreemde taal gehouden voordracht letterlijk en onverkort kan volgen. Als te verwachten beschikt de zogeheten Blauwe Zaal van het Congresgebouw naast en ván het RAI tentoonstellings- en speciaal jaarbeurzengebouw over zo'n apparatuur.
Een gevoelsreden waarom de aanwezigheid van uitgerekend onze voorzitter me zo prettig treft is déze: voor heel wat presidenten e.a. bestuursleden van welke vereniging ook is (maar te) dikwijls dé club, dé sociëteit, hét genootschap belangrijker dan het D O E L, waarvoor die bond in eerste instantie eigenlijk überhaupt tot stand gekomen, ja "gemaakt" is!
Als zo maar een uit het luchtruim gegrepen voorbeeld: - er zijn zang- en pak weg dansverenigingen, waarbinnen het in wezen helemaal niet gaat om gekweel en gehuppel doch uitsluitend om langs die weg met mensen van het andere geslacht in kontact te komen. Ongeacht of die nou hartstikke vals zingen of walsen als beren in hun winterpels......... En denkt niet, dat dit verschijnsel zich niet voordoet binnen onze van-honden-bezeten kynologenclubs.
Deze bewering kan gestaafd worden: - de ondergetekende werd eens opgebeld door zo maar 'n club of die er eens een causerie wou komen houden over, aldus de vrouwelijke spreekbuis van die wat-de-RvB-noemt: plaatselijke vereniging, "welk onderwerp uzelf maar denkt, dat de gemiddelde Kynoloog leuk vindt".
Zakelijk werden er een stuk of wat mogelijkheden opgedreund: alg. Voedingsleer, alg. Erfelijkheidsleer, alg. Rassenleer enz. enz.
Dit dacht woordvoerster maar beter aan de gastspreker zelf te kunnen overlaten maar een enkel verzoekje had zij toch wel. Dat was a) geen zware, mooie, dure woorden te gebruiken "want dát snappen hun toch niet" en om b) vooral die bekende mop van u te willen tappen over die Chowchowteef, die d'r eigen niet wilde laten dekken .............. hiehie, haha.
Nu is dit inderdaad een vlot, raar wat heet Gek Verhaal, 100% op z'n plaats aan de borreltafel ten laste van het Matchexposantendom voorafgaand aan 'n dorpsgebeuren maar als onderdeel van een formele, populair-wetenschappelijke avond misplaatst om niet te zeggen eerder ongepast. En antwoordden we dus: "Hoort u 's, dame, Piet Bambergen bijvoorbeeld zal voor bruiloften en partijen nog heel wat schuinere Witzen uit z'n begintijd kennen dan ik. 'k Zou dus zeggen belt u dié of zo iemand liever op dan mij". Haak neer.
Later is me gebleken dat het inderdaad zo'n clubje was, welks voorzittertje het meer te doen is om goed-girerende leden vast te houden met welke middelen en toestanden ook dan dat het er voor hem en de zijnen om ging om de plaatselijke Kynologie op te voeren en op te voeden!
Er even op doorbordurend kan men zich afvragen of het niet juist deze "ledenhonger" zo'n zieltjeswinnerij uit winstbejag is geweest, die leidden tot de afzichtelijke 38 Voetbalmoorden ............
En deswegen, Mede-Goedwillende Lezers, wordt het dezerzijds toegejuicht, dát en als uw voorzitter zich bewijst als tevens de semiwetenschappelijke zijde ván diens mandaat sérieus behartigende SWH-supporter.
Dat gedachtengangetje, noem 't voor zijn part: dit rare gedachtenkronkeltje, wilde éven kwijt .............
u uw dienstwillige,
dJ dJ.
** Noot:
Tijdens het opruimen werd een vergeeld stuk papier gevonden met daarop in het handschrift van Leendert Saarloos onderstaande tekst:
"
1932
Kwam ik in het bezit van een Duitse Herder door middel van Chris de Groot een voormalig banketbakker wonende in de Vriesestraat. [Dordrecht]
Deze Duitse Herder als liefhebber gekocht in 1920 uit het Duitse leger 2 Rode kruishonden te weten Axel von Struiberheim en Wotans Irold dienst gedaan in de eerste Wereldoorlog 1914 – 1918.
Daaruit zijn ontstaan 22 nakomelingen Gerard van Franschenin een nakomeling.
Door de honden was ik en Chris nogal bevriend.
Uit een der nesten, ik geloof het laatste, wat uit deze twee superhonden geboren werd was er een bij met een bijzonder grote navelbreuk, ontstaan door het door de moederhond te kort afbijten van de navelstreng. Chris wilde hem laten afmaken want er was geen enkele veearts die hem durfde te opereren. Na veel gepraat nam ik deze jonge reu van 7 weken van hem over.
Nu moet ik even afstappen van mijn betoog.
Door mijn relaties met Dr. Eijkman, directeur van de slachtplaats te Dordrecht, kwam ik in contact met Dr. Meines chirurg, later naar Indië gegaan en wonder boven wonder, toen deze hoorde wat ik met deze hond van plan was te doen, was hij direct bereid de operatie te verrichten die na anderhalf uur prompt goed verliep. Men zal mijn vreugde kunnen begrijpen toen hij ook verder goed opgroeide en een hond bleek te zijn met een goed karakter, vlug, leerzaam en bovenal betrouwbaar.
Het was in 1936 en toen werkte ik samen in een club van Politiehonden waar alleen maar politiemensen in zaten. Van de Rijks- en gemeente politie waar ik dan als pakwerker fungeerde en tevens mijn Herder Gerard begon af te richten nu bij de rechercheurs en tevens in de Nederlandse Vereniging voor Wolfhonden Bezitters in de Commissie van toezicht. Hij werkte toen met een Duitse Herder later een bouvier samen met ons. Het was een gezellige vriendschappelijke samenwerking alleen maar gebaseerd, wat kan ik met goed verstand van mijn hond als Politieman voor mijn doel van mijn hond maken. Er was veel liefde voor de dresseur nodig en ook in het bijzonder voor je beste vriend de hond. Ik heb daar altijd bewondering voor gehad. Om terug te komen op mijn eigen hond Gerard van Franschenin, boekte ik prima resultaten, Het spreekt vanzelf dat er in 1932 nog nergens geen reddingshonden waren, dus was het hoofddoel: verdedigingshond, Politiehond. Ik ben er van overtuigd ofschoon er verschillende Politie instanties niet aan wilden in het mijn inzien en met mijn 50-jarige ervaring.
"
