Wie is er bang voor de Grote, Boze Wolf?

Hopelijk niet veel mensen want de wolven zijn aan het doorverhuizen. In grote groepen zijn ze op zoek naar een nieuwe plek om te leven. Op dit moment trekken er veel wolven door Duitsland en komen ze steeds dichterbij Nederland.
Wolven leefden aan het eind van de 19de eeuw voor het laatst in het wild in Nederland. In Oost-Europa zijn er de laatste jaren al steeds meer, en ook in West-Europa worden ze steeds vaker gezien.

Het is ons met de paplepel ingegeven al die enge verhalen op de kleuterschool over de Grote, Boze, Wolf…
Roodkapje, de Weerwolf, en zoals in de OT en SIEN  boekjes die in de jaren 1910-1950 zo populair waren. Ot en Sien zijn de hoofdfiguren uit een serie Nederlandse kinderverhalen. Deze Ot en Sien boekjes waren bestemd voor de allerkleinsten om te leren lezen.
De figuur van de Grote, Boze Wolf kwam al voor in vele eeuwenoude vertellingen. Het bekendst hiervan zijn wel de sprookjes over de drie kleine biggetjes en dat van Roodkapje, zoals ze zijn vastgelegd door de gebroeders Grimm en de Engelsman James Orchard Halliwell-Phillipps in de 19e eeuw.

 

Een verhaal

‘Juf heeft verteld, ‘ zegt Trui. ‘Heel mooi!  ’t Was van een geit.’
‘Mé-é,’ roept Ot. Hij kent wel een geit. En hij doet zijn hoofd op zij en springt op Trui toe. Net of hij haar stoot. Sien lacht er om. Maar Trui zegt: ‘Neen Ot, niet doen. Dan vertel ik het verhaal niet.’
Nu is Ot stil. Hij hoort met Sien naar Trui. Die vertelt.

Er was eens een oude geit. Ze had zeven jongen. De moeder was wit, en elk kind was ook wit. Ze woonden in een hut. Die hut stond bij een bos. En nu moest de moeder eens naar het bos.
Moeder was weg. Maar o, daar kwam een wolf; een groot beest. Hij wou in de hut. Maar de deur was dicht. ‘Ik ben je moeder,’ zei hij. ‘Je bent moeder niet,’ riep een geitje. ‘Je bent de wolf. Ik hoor het aan je stem. Die is zo grof.’
Nu liep de wolf hard weg. Hij stal een stuk spek, en at het op. Zo werd zijn stem fijn. En hij liep weer gauw naar de hut.
‘Doe open. Ik ben je moeder,’ riep hij. ‘Dat is moeder,’ zei een geitje. ‘Want haar stem is fijn. Hoor maar.’ Maar een ander geitje riep: ‘je bent moeder niet. Je bent de wolf. Je poten zijn zwart. En die van moeder zijn wit.’
Weer liep de wolf weg. Hij stak zijn poten in het water. En toen in een zak met meel. En nu ging hij nog eens naar de hut. Klop, klop! En hij stak zijn poot onder de deur.
‘Doe open! Ik ben je moeder, ‘ riep hij. Zijn stem was nu heel fijn, en zijn poot was mooi wit. Nu zou het moeder dus wel zijn. De deur ging open. En daar….. was de wolf! Hij deed de bek wijd open. En hij keek heel kwaad. Wat waren de geitjes bang!
Een kroop in de kast
Een kroop in de stoof.
Een kroop in de turfbak.
Een kroop achter de kast.
Een kroop onder een stoel.
Een kroop onder de tafel.
En een kroop in de klok.

‘In de klok?’ vroeg Ot. ‘Hoe kon dat?’ Dat wist Trui niet. Maar Juf zei, dat er een in de klok kroop. ‘En toen?’ vroeg Ot. Toen kwam de wolf en at er zes op.
‘O, die stoute wolf!’
En toen liep de wolf weg.

 

En toen kwam de moeder thuis. Maar o, wat schrok die! ‘Och, och, ze zijn dood! Mé-é, ze zijn dood!’  Dat riep ze aldoor.
Toen keek het geitje, dat in de klok zat, om een hoekje. En het zag zijn moeder. Toen sprong het op de grond. En het zei aan zijn moeder, wat de wolf gedaan had.
‘Mé-é, mé-é,’ riep de moeder. ‘Wat spijt me dat!’ Maar ze ging met haar kind naar het bos. En daar lag aan de kant de wolf. Maar die sliep. En zijn buik ging op en neer. En toen haalde de geit gauw een mes. En ze sneed de wolf zijn buik open.
En toen sprongen de zes geitjes er uit! ‘Mooi, mooi!’ zei Ot. En hij sprong er bij.
En Sien zei ook: ‘Mooi, mooi!’
Maar dan riep moeder: ‘Gauw naar huis, Sien! Je moeder wacht. Je moet eten. En wij ook. Vader is er al. Kom Ot!’
Toen ging Sien gauw naar huis.

 

* * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * *

 

Tot zover wat ons als 4-jarigen op de kleuterschool werd voorgelezen uit het boekje van Ot en Sien.
Eigenlijk is het einde nóg gruwelijker voor een peuter want volgens het sprookje van de gebroeders Grimm gaat het griezelverhaal nog een stukje verder:

Toen knipte zij het ondier zijn pens open en nauwelijks had zij een knip gedaan, of een geitje stak zijn kop al naar buiten en toen zij verder knipte sprongen zij alle zes na elkaar eruit en zij waren allen nog in leven en hadden zelfs geen schram opgelopen, want het monster had ze in zijn gulzigheid héél naar binnen geslikt. Dat was me een vreugde! Zij omhelsden hun lieve moeder en sprongen als een kleermaker die bruiloft viert. Maar de oude geit zei: "Nu moeten jullie veldkeien gaan zoeken en daarmee stoppen wij dan de buik van het goddeloze dier vol, terwijl het nog ligt te slapen." Daarop sleepten de zeven geitjes in allerijl keien aan en stopten ze in de buik van de wolf, zoveel zij er maar in konden krijgen. Toen naaide de oude geit hem zo vlug weer dicht dat hij er niets van merkte en niet eens bewoog.

 

 

Toen de wolf eindelijk uitgeslapen was, kwam hij overeind en omdat de stenen in zijn maag hem een geweldige dorst bezorgden, wilde hij naar een bron om te drinken. Maar toen hij zich in beweging zette en daarbij van de ene kant naar de andere liep te slingeren, stootten de keien in zijn buik rammelend tegen elkaar. Toen riep hij uit:
"Wat hotst en klotst
Daar in mijn buik?
Ik dacht dat het zes geitjes waren,
Maar dit zijn keien, hele zware!"
En toen hij bij de bron kwam en zich over het water boog en wilde drinken, trokken de zware keien hem erin en hij moest jammerlijk verdrinken. Toen de zeven geitjes dat zagen, kwamen zij aanhollen en riepen luidkeels: "De wolf is dood, de wolf is dood!" en maakten van vreugde met hun moeder een rondedans om de bron.

 

* * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * *

De wolf vreet er zes “met huid en haar” op, de zevende verstopt zich in de staande klok en wordt niet gevonden. De moeder keert terug en vindt alleen het ene geitje. De wolf ligt vlakbij te slapen. Moeder opent de buik, waar alle geitjes levend uitkomen. De wolf wordt wakker met een dichtgenaaide buik vol stenen. In de veronderstelling dat het de geitjes zijn, gaat hij zijn dorst lessen bij de put. Hij valt voorover en verdrinkt.

De uitdrukking “met huid en haar opeten” behoort tot het typische repertoire van de Grimmbroers. De geitjes staan voor onschuld, de wolf voor het boze, verkeerde.

* * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * *

 

Diny