Oud vergeeld papier dat bijna onleesbaar is geworden vond ik terug met het opruimen van alle oude dozen van vroeger. Veel heb ik weggegooid maar toen ik het uitgetikte radio-interview van de Josselin de Jong met Leendert Saarloos in handen had kon ik het toch niet over m’n hart verkrijgen om dat verloren te laten gaan. Het bijbehorende cassettebandje heb ik al jaar en dag zorgvuldig opgeborgen en aan menig wolfhonden-liefhebber laten horen.Van een al lange tijd geleden overleden Europeesche Wolfshond-liefhebber die al zijn wolfhonden van Leendert Saarloos had gekregen heb ik zo’n 30 jaar geleden stapels oude “Hondenvrienden” , Honden werelden”, “De Luistergids” en ander oud materiaal aangaande de Europeesche Wolfshond gekregen.Daar het uitgetikte interview bijna niet meer leesbaar is op het oude papier heb ik het –in oude spelling- opnieuw overgetikt.Diny |
============================================================================================

Radio interview door de RIJKSRADIO-OMROEP
“ DE NEDERLANDSCHE OMROEP “
Uitgezonden op vrijdag 11 september 1942
Van 19.50 uur tot 20.15 uur
Programma: II
Onderwerp: Gedramatiseerde werkelijkheidsreportage
Getiteld: “Tusschen de Nederlandsche wolfshonden”
(Een schitterend nieuw gebruikshondenras in wording)
Auteur: G. de Josselin de Jong
Infaden, eenig zwaar hondengeblaf, dat gecrossfaded wordt door den beginnenden spreker en dan allengs uitgefaded moet worden ten einde het gesprokene niet te overstemmen, dus slechts dienend als acoustische onderstreping van het onderwerp.
REPORTER:
Dames en heeren, luisteraars-en vooral U hondenvrienden!
Het zal U misschien wel bekend zijn, dat op de laatst in Mei gehouden groote kampioenschapstentoonstelling voor honden te Amsterdam een groote inzending van, laat ik zeggen, “politiehonden” die een scheut fier en vrij wolvenbloed in hun aderen hadden, zeer de aandacht heeft getrokken –de belangstelling van zoowel het leeken-publiek, dat immers graag mooie dieren ziet, als van de vakmenschen in de hondensport, de z.g. kynologen of rashondenkenners. Hetzelfde succes hadden deze honden in Groningen. Mede nu op verzoek van luisteraarszijde zijn wij vandaag met den microfoon op kennel-bezoek gegaan bij den fokker van deze actueele en beroemde wolfshonden, nl. den heer L. Saarloos, wonend aan de ’s Gravendeelschedijk te Dordrecht. En……….. dáár bevinden wij ons nu!
(geblaf op achtergrond)
Zoo sta ik op het oogenblik in Dordt tegenover de ruime kennels van de wolfhonden en geniet er van de soepele beweging en huppende gangen, die alleen natuurhonden en ook sommigen hazewindhonden zoo eigen is. De typeerende lenige achterhand van den wolf heeft zich n.l. schitterend vererfd in den dansenden elastischen gang van deze edele dieren hier.
Hoe anders doet hun harmonische manier van loopen aan dan het soms wat houterige of logge van zoovele al te doorgecultiveerde salonhonden! Maar, dames en heeren, U zult allicht meer verlangend zijn wat hun baas, de heer Saarloos, over zijn schepping te vertellen heeft, dan naar de gesproken film, die ik probeer door Uw luidspreker voor U af te draaien. Dus wend ik mij tot dezen energieke fokker, die niet alleen kynoloog is in de gunstige beteekenis van dit wat koude woord voor “hondenkundige”, maar ook allerlei ander gedierte houdt, en vooral van hen houdt, als postduiven, angorakonijnen, bunzing, vossen, jakhalzen, apen, enz.
Meneer Saarloos, hoe is U er toe gekomen met deze kruising tusschen wolf en hond te beginnen?
SAARLOOS:
Dat wil ik U graag vertellen; zooals U weet, stammen onze tamme honden van den wolf en van den jakhals in de Oosterse landen.
REPORTER:
Neemt U me niet kwalijk, dat ik U nú al in de rede val, maarre…… wat is dat voor een vogel, daar op Uw schouder?
(zo mogelijk geluid, eventueel van een kraai)
SAARLOOS: (lachend)
O, dat is een makke, jonge Vlaamsche gaai, die vergezelt me haast overal. Maar omdat hij wel eens tusschen ons gesprek door hinderlijk zou kunnen krijschen, zal ik hem maar in de voliére doen; kijk, hier naast den uil, die ik ook al jaren heb, nadat ik dien voor een dubbeltje als uilskuiken overgenomen heb van een paar jochies, die van plan waren hem dood te plagen en dan als vogelverschrikker aan ’n touwtje boven een veldje met prinsesseboontjes te laten hangen. Maar goed dan, U vroeg me naar m’n uitgangspunt bij het ondernemen van mijn veredeling van den tamme hond…..
REPORTER:
Ja, dat interesseert onze onzichtbare introducé’s, die ons als het ware beloeren door hun luidspreker, ten zeerste.
SAARLOOS:
Bijna 12 jaar geleden werd ik, zooals trouwens de meeste fokkers in Nederland, getroffen door de proefnemingen van den bekende Roel Houwink in Meppel, toentertijd secretaris van de Kamer van Koophandel in Drenthe.
Die meneer Houwink had een proeftuin opgericht, waarin hij den erfelijkheidsleer en vooral de practische toepassing van de Mendelsche splitsingswetten proefondervindelijk navorschte door allerlei kruisingen van cultuurdieren met hun verwante soort uit ’t wild, zooals van wilde Indische boschkippen aan onze gewone hoenders. Ook heeft Houwink terugparingen ondernomen van het tamme konijn terug aan het wilde duinkonijntje….
REPORTER:
Waarom spreekt U zoo met nadruk over terugkruisingen!
SAARLOOS:
Omdat, als je een tamme afstammeling koppelt aan zijn wilde stamvorm, waar dat cultuurhuisdier oorspronkelijk uit gekweekt is, je dan terug gaat naar de natuur. En zoo’n stap terug is in sommige gevallen, hoewel er ook soms gevaren aan vast kunnen zitten, bepaald aan te raden als een frisch bad in de oorspronkelijke levensbron, dat vooral wanneer de gekweekte nazaten al te veel tot salon-huisdieren en kasplantjes zijn verworden.
REPORTER:
Dat is duidelijk, daarom maken prairieruiters zoo graag gebruik van wilde paarden, wier vurig temperament en gezond gestel zij weer infokken in hun paardenmateriaal; vandaar ook dat streven in de Duitsche dierentuinen om den uitgestorven oer-os van de Batavieren en het wilde boschpaard, zooals het nog voorkomt in het “Lied der Nibelungen”, terug te fokken, als zijnde het oorspronkelijke echte bloed om eventueel naar terug te grijpen.
SAARLOOS:
Maar, goed, dat is dan de theorie, om niet te zeggen: de litteratuur; maar nu de praktijk! Jaren geleden dus mocht ik me verheugen in het bezit van een heerlijken herdershond van het ouderwetsche slag, een betrouwbare huisvriend zoo gezegd. Dat was een herder, die “Gerard” van mij, die in alles, vooral in karakter en gezondheid, ver stond boven de doorsnee van de naar mijn meening en trouwens naar ieders opvatting, toentertijd veel te verfijnd ingeteelde herdershonden van de tentoonstellingsbanken. Hun z.g. moed of “scherpte” was in werkelijkheid niets dan ingefokte bijterigheid en hun z.g. “fraai-gewinkelde”of mooi gehoekte achterhand was maar een kunstmatig, zóó door de papieren raspunten gebeeldhouwde stand, die het fokkersgroepje nu eenmaal mooi willen vinden. Bovendien waren in dien modetijd van de Duitsche herdershonden veel honden nerveus tot op het zenuwzieke af.
REPORTER:
Maar inmiddels, mijnheer Saarloos, is dat toch veel verbeterd? Ik meen toch, dat de tegenwoordige herdershond anatomisch evenwichtig is?
SAARLOOS:
Ben ik ten deele ook met U eens, maar let wel, ik sprak van een twaalf jaar terug. En zoo deed zich het geval voor, dat, toen ik om ervan fokken een evenwaardig, prima vrouwtje zocht voor dien door mij zelf afgerichte spoorzoeker, apporteur, zwemmer, attaqueur, springer en manvasten steller, ik toch maar nergens een passende goede herdershonden –teef kon vinden. Zoodoende kwam de gedachte bij mij op, dat evenals voor “Kazan de Wolfshond” uit dien natuurroman hier de eenige passende wederhelft een natuurteef zou zijn, een zuivere wolvin. En zoo kocht ik van een diergaarde wolvenwelpen, waarvan er helaas één is overleden, maar uit de tweede fokte ik vier nesten van elk zeven jongen, in totaal een 28 wolf-hondjes. Van die oorspronkelijke kruisings-producten ziet U er hier nog een paar loopen.
REPORTER:
O, dus dit zijn de tusschenvormen, de halfbloeden, niet waar?
SAARLOOS:
Juist, maar let wel, de latere nakomelingen en al die pups, die U daar ziet loopen, zijn allang geen vijftig procent meer, maar voeren hoogstens nog maar 25% wolvenbloed, dat zijn dus kwartbloeden en vooral achtstebloeden, dus 12½ % wolvenbloed. M.a.w. de meesten zijn op een achtste wolvenbloed na, volkomen tamme honden. En……… betrouwbaarder, trouwer dan de gemiddelde hond. Door teeltkeus houd ik alleen de absoluut ongevaarlijke eerlijke exemplaren aan.
REPORTER:
Pardon, dat ik U weer in de rede val, maar is dat dier de wolvin, die daar?
SAARLOOS:
Nee, nee, dat is inderdaad een wolf, maar een jong mannetje. De oude wolvin leeft jammer genoeg niet meer. Dezen wolf heb ik er alleen bij om zoogezegd contact te houden met het wolvenkarakter en vooral dan met de ongewenschtheden in den wolvenaard, dus met de factoren, waarvan ik niet wil dat ze mee vererven in het Nederlandsche hondenras.
REPORTER:
Zegt U dat eens duidelijker…..
SAARLOOS:
Welnu, dat is eenvoudig. In de vergeten oudheid heeft de oermensch den natuurhond uit het wild tam gemaakt en verhuisdierlijkt oftewel gedomesticeerd. Nu bestaat het tot-huisdier-maken heusch niet alleen uit het ervan fokken in zoogenaamde gevangenschap, want anders zouden wij wel van elke diersoort een huisdier kunnen fabriceeren door ze vele generaties lang achter tralies of in stallen te teelen, zooals dat overal in de dierentuinen gebeurt. Er zijn leeuwenfamilies, die al sinds onheugelijke tijden van vader op zoon in dierenparken en circussen gefolt worden als waren het finaal Bouviers of varkens, maar daarom is de leeuw toch nog steeds geen betrouwbaar, bruikbaar, handelbaar huisdier geworden.
REPORTER:
Ben ik met U eens. Maar ik voel wel waar U heen wilt: U wilt zeggen, dat door teeltkeus, dus door het alleen maar doorfokken uit de beste, mooiste, liefste exemplaren op den lange duur –dank zij die “selectie” zooals wij fokkers dat noemen- een uitgelezen verzameling is overgebleven.
SAARLOOS:
Juist, dat wilde ik precies aantoonen. Welnu, die eeuwen van zorgvuldige keus uit de stamdieren zouden wij in één verkeerde kruising teniet kunnen doen en dan waren wij net zoo ver als die oermensch aan het begin toen hij zijn eerste wolvenwelpjes mak probeerde te krijgen. Nee, wat ik nastreef is: een combinatie van het allerbeste uit de beide oudervormen. Zoo zijn alle wolven van nature schuw, beter gezegd: voorzichtig, nee eigenlijk is het juiste woord “gereserveerd”. Dat is nu een, in het vrije veld overigens onmisbare eigenschap, die wij bij onze gebruikshonden niet wenschen. Wij voelen meer voor den onderzoekende, nieuwsgierige hond, die ergens op af gaat dan voor het voorzichtige dier, dat alles wat het niet kent, het liefst maar uit den weg gaat. En die exemplaren, die gewenschte combinatie gevallen, vind ik inderdaad in mijn nesten en selecteer er die vanzelfsprekend uit…. Dáár bouw ik mijn stam verder mee op, zij zijn de grondpeilers van het jonge ras.
REPORTER:
Dus U is ook de meening toegedaan, dat elke hond zijn eigen karakter heeft, een zekere individualiteit!
SAARLOOS:
Ja zeker, en daar hoef je niet eens gekruiste wolfhonden voor te fokken wier kenmerken net zoo goed als bij elke kruisingsproductie uiteen “mendelen”, want iedereen die weleens een nestje gefokt heeft van onverschillig welk ras, ziet altijd weer hoe tot zijn verbazing in een en hetzelfde nest totaal verschillende karakters huizen die zich al in het nest afteekenen. Er is altijd een haantje de voorste bij die den baas speelt over zijn nestgenoten en dat hoeft heusch niet perse de dikste en de sterkste te zijn, het jong dat er, zooals de volksmond zegt; er het eerste is uitgekomen. Kortgeleden nog was het uiterlijk minste beestje van een worp alle anderen de baas. Ook zulke pups houd ik in de gaten….
REPORTER:
Dus als ik het wel heb dan maakt U een bijzondere studie, een psychose-analyse zou ik haast zeggen van elk van Uw fokproducten!
SAARLOOS:
Allicht doe ik dat. Ik zoek in elk individu den ingeboren aanleg, die in den kiem aanwezig is. Een speurder, een Roode Kruishond, een blindengeleidehond, een zoekhond enz. hebben individueel een anderen aanleg. Maar, let wel, ik heb me een afgerond fokdoel gesteld zooals elke serieuze fokker dat in het oog houdt. Daarom weet ik precies welke ik niet en welke ik juist wel aanhoud. In den eersten plaats zoek ik: volkomen betrouwbaarheid. Zooals U misschien weet, ben ik ook doende honden aan Jakhalzen te paren en zou ik al eenig succes geboekt hebben met kruisingen tusschen hond en vos, als de jonge vos-hondjes niet gestorven waren.
REPORTER:
Zijn die bastaarden misschien niet levensvatbaar? Ik weet toch zeker dat ik er in München een gezien heb, het kind van een Keeshond en een vos….
SAARLOOS:
Levensvatbaar zijn die vos-hondjes waaruit zich weer een schitterend hondenras laat evolueeren, zeker, maar ongelukkigerwijs heeft mijn vosteef, die ik daar destijds voor gebruikte, d’r jongen tweemaal achter elkaar doodgebeten. Ik heb nu begrepen, dat het zaak is je teelvossen primair zoo mak mogelijk te krijgen zoodat ze haar jongen niet doodbijten uit angst en zenuwachtigheid. Kijk, daarom zijn alle vossen, die ik nu heb, 5 totaal, zoo mak als poezen. ’s Avonds neem ik er om beurten eentje in de kamer en laat hem op mijn schoot slapen terwijl ik de krant lees of – om U te plezieren – naar den radio luister.
De Hondenvriend
| 15 juli 1942 | 1e Jaargang | Nummer 10 |
REPORTER:
Tja, het was me al opgevallen hoe de vossen hier nieuwsgierig tegen het gaas van hun kennels komen opstaan om het bezoek te zien terwijl de zilvervossen op de pelsfarms toch meestal juist in hun nachthokje wegkruipen.
Maar meneer Saarloos, om op Uw Hoofdfokkerij van de wolfhonden en hun teeltkeus en dressuur terug te komen, wat vindt U de lastigste africhting om geschikte karakters voor te vinden en te fokken???
SAARLOOS:
Net als voor alle dresseurs is dat ook voor mij het z.g. manwerk, de verdedigingshond. U moet niet vergeten dat hierbij aan den hond geleerd moet worden op te treden tegen zijn besten vriend en beschermer: den mensch of althans soortgenooten van zijn meester, waarmee elk ander mensch dus een zekeren stamlucht heeft. Bovendien moet een z.g. scherpe hond eenig oordeel des onderscheids hebben: hij moet het verfijnd verschil aanvoelen tusschen den man die toevallig langs de fiets loopt die hij moet bewaken en den echten dief. En nu vind ik dat juist onder mijn intelligente wolfhonden meer exemplaren voorkomen die zulke dingen aanvoelen. Nee, het zijn prima honden en als ik ergens in mijn leven geen spijt van heb, dan is het wel dat ik met deze fokkerij, die mij ook teleurstellingen heeft bezorgd, begonnen ben.
Maar om op Uw oorspronkelijke vraag terug te komen, daarom, ook om juist het verschil en de verbetering te zien houd ik er naast mijn zelfgekweekte wolfhonden ook gewone herdershonden en dan dien eenen volbloed Russische wolf op na.
REPORTER:
Ja, om nog eens op de wolven terug te komen: was Uw wolvin handelbaar, of is het haar leven lang een woest roofdier gebleven, of beter gezegd, een schichtig natuurdier……..?
SAARLOOS:
Zooals de meeste getemde wolven, als je er maar van jongsaf verstandig mee omgaat, is ze zeer mak geworden, waarbij het opvallend was hoe buitengewoon gedwee ze was ten opzichte van haar echtvriend, mijn oorspronkelijken herdershond “Gerard”. Beiden leven nu natuurlijk niet meer; ik heb ze toen hun tijd gekomen was, daar begraven onder dien gebeeldhouwden grafsteen. Iedereen hier in Dordrecht kende die wolvin van me, die gewoon aan den halsband en lijn mee op straat ging, trouwens de voorbijgangers wisten meestal niet beter, of het waren allebei volbloed herdershonden. Zooals U ziet, hebben al mijn wolfhonden de pittige staande oortjes van zoowel den herdershond als van de grootmoeder en overgrootmoeder, de wolvin. Terwijl ze allemaal het prachtige beenderwerk, de krachtige pooten van het wilde dier geërfd hebben.
REPORTER:
Ja, en ik herinner me ook hoe de hondenkenners op de tentoonstelling in Amsterdam zoo’n bewondering hadden voor de prachtige gave gebitten, die al deze in Nederland gefokte wolf-honden sieren. De schitterende roodbruine en zilvergrijze dieren hebben allemaal de prachtige, heldere oogen, de dikke natuurvacht en het uithoudingsvermogen van Pittah, de Grijze Wolf uit het bekende boek, ook van de Husky’s, die en Eskimo’s en de Canadeesche pelsjagers als trekhonden voor hun slee gebruiken, ook van de hondenslagen, waarin woudloopers den Timber-Wolf opzettelijk hebben ingekruist om er de gehardheid en het spierenstelsel van die natuurwezens in vast te leggen.
SAARLOOS:
Zooals de meesten zullen doen, zoekt U het wat ver, meneer de Jong: we hoeven mijn honden heelemaal niet te vergelijken met die zoo goed bruikbare, en trouwens eenig houdbare, huisdieren uit de Poolstreken, want hier in ons werelddeel hadden de Germanen en Galliërs precies zulke wolvenafstammelingen, waarover de Romeinsche geschiedschrijvers en jagers zoo geestdriftig waren. Trouwens, in Duitschland komt men nu ook terug van de verweekelijkte slappe sierhonden en daarom maken we nu (maar door het oorlogsgebeuren wordt van zulke dingen natuurlijk niet zoo’n ophef gemaakt als in vredestijd) de opkomst en het succes mee van dat nieuwe ras, den Hovawart.
REPORTER:
O ja, de Warter des Hofes……… ’t is misschien voor de tentoonstelling een zoogenaamd nieuw ras, maar in wezen is het een stokoud slag, zoo oer-Germaansch als onze boeren-Keeshond en onze vaderlandsche herdershond of Brabanter Spits, die wij helaas vrijwel hebben laten uitsterven.
SAARLOOS:
Nou juist, door nu den zuiveren Europeeschen herdershond op te frisschen met het bloed van den eveneens Europeeschen wolf, of wilde hond, doe ik genetisch niets anders dan den kerngezonden heemhond, waakhond van de Batavieren en Kaninefaten te restaureeren, beter gezegd, te reconstrueeren, herop te bouwen. En inderdaad (en dat is mijn bevrediging bij deze teelt, die ik als mijn levenswerk beschouw) voldoen deze wolf-honden uitstekend, zoowel voor blindengeleidehond als voor politiehond en zeker ook, mits ze er maar voor gedresseerd worden, als Roode-kruishond, kortom als nuttig werkhondenras in breedsten zin.
REPORTER:
Maar wat ik zeggen wou, meneer Saarloos, onze landgenoten zullen wel uiterst ingenomen zijn met deze aanwinst? Zoo’n prachtig en onalledaagsch dier te bezitten moet toch een heerlijke gewaarwording zijn voor elken honden liefhebber…..?

SAARLOOS:
Waardeering! Eh….. ja en neen.
REPORTER:
Hoe bedoelt U dat?? “Nee” ?
SAARLOOS:
Och kijk, U kent onze hondensportmenschen genoeg om te weten, dat we ze in twee tegenstrijdige groepen kunnen verdeelen. Ten eerste, de echte hondenvrienden, die zonder financieele bijbedoeling echt van hondenschoon en van het hondenkarakter houden. Die prettige categorie bestelt meer jonge hondjes bij me, dan ik fokken kan en wil. Maar de tweede groep, de aanhangers van de hondensport, die alleen kijken naar het uiterlijk en die fokken om den winst, en dus overal concurrentie duchten, zijn natuurlijk gekant tegen mijn opzet. Trouwens, U weet het zelf, onze oud-Hollansche rassen als de Friesche Stabijhoun, de wetterhoun, (dat inheemsche mollenvangertje) en de Drentsche Patrijshond worden niet eens officieel als ras erkend.
Wordt er een peperdure Iersche Setter uit Ierland geïmporteerd, of een chow-chow, dan is heel kynologisch Nederland enthousiast en des te enthousiaster als de importeur de een of andere rijke meneer of adellijke juffrouw is!
Maar wanneer er zoo’n doorsnee Hollander als ik, Saarloos uit Dordrecht, iets opzet, dan wordt dat door de z.g. vooraanstaande figuren in de Nederlandsche hondensport niet eens aangekeken en zelden belangrijk gevonden. Tenminste zoo was het vroeger. Pas door den oorlog zijn de menschen wat wakker geschud, en trouwens nog lang niet allemaal, en beginnen ze gelukkig weer een beetje trotsch te worden op onze nationale cultuur-uitingen, waaronder ook hooren onze inlandsche huisdieren-rassen, dus bewust van wat wij, de gewone Nederlandsche fokkers alzoo presteeren.
REPORTER:
Meneer Saarloos, ik zou me van de kleine groep, om niet te zeggen “het clubje”, dat meent Uw fokresultaten te mogen negeeren, maar niets aan trekken. De deugd, in dit geval Uw fokkersdeugd wordt op den duur heusch wel beloond. Trouwens, aan genetici van naam is deze opzet niet ontgaan, want in de pers is er al vaker over geschreven en gepoleniseerd. Ik voorspel U zoo’n zelfde succes als de Duitsche heropbouwers van den Hovawart…!
SAARLOOS:
Jawel, maar wát me bij die miskenning toch verdrietig stemt, is, dat bepaalde menschen, waaronder soms gestudeerde personen, zich verstouten om critiek over m’n wolf-honden te schrijven, zonder die en ook zonder mijn fokdoel te kennen of ze zelfs ooit maar gezíen te hebben. Nog kort geleden publiceerde iemand, die ik nog nooit gesproken had, dat ze vatbaar zouden zijn voor de hondenziekte. Had zoo iemand zich even de moeite gegeven hier naar toe te komen, zooals U, de actieve Nederlandsche Omroep, wel de moeite neemt zichzelf ter plaatse te overtuigen, dan zou hij gezien hebben hoe ik niet alleen uiterst streng selecteer en uit doorgaans groote worpen enkel de allerbeste exemplaren aanhoud, dus wetenschappelijk teel, dan zouden ze ook weten dat, terwijl onlangs de gewone huishondjes van mijn vrouw zwaar van die beruchte hondenziekte geleden hebben, de ijzersterke wolfhonden die kwaal niet hebben gekregen.
REPORTER:
Maar ja, het is zooals U zegt, meneer Saarloos, de groote belangstelling van de ware dierenvrienden, als ook de zekerheid dat deze rassige beesten na de oorlog overal van zich zullen doen spreken en internationaal bekend zullen worden als een best gebruiksras, zijn voor U toch een voldoening op zichzelf, bij die ondergeschikte teleurstellinkjes via de critikasters en zelfs van enkele z.g. voormannen in de hondensport, op papier dan altijd.
In ieder geval dank ik U, mede namens de luisteraars voor Uw uiteenzetting en weet ik zeker dat Uw landgenooten het interessant vinden, te weten dat er in ons land iemand leeft, die zoo’n opzet als deze wolvenkruising durft op te zetten, iets wat men meestal meer leest vanuit het een of andere verre buitenland.
Nogmaals, bedankt voor de bezichtiging!
(affaden met eenig diep hondengeblaf).

