Project Verwachtschap
Op 18 oktober werd voor de Saarlooswolfhond verenigingen en –fokkers door de Raad de uitkomst gepresenteerd van het project Verwantschap. Voor deze avond waren uitgenodigd de besturen en fokkers van de Saarlooswolfhond. Fokkers waren door de RvB middels een brief persoonlijk uitgenodigd. De belangstelling viel mij tegen. In de gauwigheid geteld zo’n 20 tot 25 leden van de AVLS en slechts drie van de NVSWH.
De bijeenkomst begon met een uitleg over dominante en recessieve genen, vererving van deze genen, het begrip allel, enz. Allemaal zaken die iedere fokker dient te weten, ongeacht of hij beginnend of ervaren fokker is. Mijns inziens derhalve een volkomen overbodige exercitie. Maar helaas toch noodzakelijk gezien de nodige aantekeningen die gemaakt werden.
Na de pauze werd ingegaan op het inteelt- en verwantschapspercentage bij de Saarlooswolfhond. Vele cijfertjes vlogen over het scherm met daarbij duidelijke uitleg door dhr. Windig van Wageningen Universiteit.
Wat echter iedereen had kunnen weten, was dat gebruik gemaakt werd van de stamboomgegevens van de Raad en die van de AVLS. Gegevens waarvan iedereen weet dat die niet kloppen. Deze, niet kloppende gegevens, laten zien dat het inteeltpercentage bij de SWH veel te hoog ligt. Voor de berekening van dit percentage dient men met tenminste 5 generaties te werken en liefst met meer indien mogelijk. Bij de SWH is dit laatste mogelijk omdat voor het overgrote deel de afstamming terug te voeren is tot de honden van Leendert Saarloos.
Ook werd aangegeven hoeveel wolfsgrauwe en bosbruine honden in de populatie terug te vinden waren, wat de verdeling over de jaren van die kleuren was, enz. Opmerkelijk echter was dat in alle onderzochte jaren een aantal honden in de bestanden waren terug te vinden, waarvan niet bekend was welke kleur zij hebben en hadden. Dit vind ik vreemd. Vanaf de erkenning van het ras is van alle ingeschreven honden bekend wat de vachtkleur is. Iedereen weet dat onder Agouti Zwart het wolfsgrauw verstaan wordt en dus ook dat Agouti Bruin het bosbruin is.
Het wit en crème-wit kwamen in het geheel niet voor. Ondanks dat er momenteel maar vier crème-witte Saarlooswolfhonden rondlopen hadden deze in de cijfertjes verwerkt kunnen worden.
Uit het betoog bleek duidelijk dat door het hoge inteeltpercentage de kans op het ontstaan en tot uiting komen van erfelijke aandoeningen heel groot is. Daarom wordt gepleit tot het inkruisen van een hond of meerdere honden van een ander ras of andere rassen. Dit wel op voorwaarde dat dit zeer gedoseerd gebeurt en dat men elke ingekruiste hond slechts eenmaal gebruikt. Anders stijgt de generatie daarna het inteeltpercentage weer dramatisch. Ook het meer dan tweemaal inzetten van een reu wordt sterk afgeraden, omdat ook daardoor het inteeltpercentage teveel toeneemt.
Ten aanzien van die erfelijke aandoeningen kwam DM ter sprake.
Op een vraag hoe groot statistisch gezien de kans was dat, gelet op het gescheiden ontwikkelen van de twee populaties Saarlooswolfhonden, de populatie van de NVSWH geheel gevrijwaard blijkt van DM en de andere populatie daarvan vergeven is, kwam geen duidelijk antwoord. Er werd een beetje om de hete brij heen gedraaid in mijn ogen. Het kwam er eigenlijk op neer, dat dit niet mogelijk zou kunnen zijn omdat het, volgens de wetenschappers, één populatie betreft.
Wel ontstond even een pittige discussie rond een uitspraak van weleer van de toenmalige secretaresse van de AVLS, mevr. Eggink. Haar uitspraak, dat de test voor DM niet geldig was voor de honden van de NVSWH omdat daar een ander gen verantwoordelijk is voor deze aandoening was volgens haar uit zijn verband gerukt. Het feit dat DM tot op heden niet in die populatie is aangetroffen doet niets ter zake, omdat er meerdere genen mogelijk verantwoordelijk zijn voor deze aandoening. Een zoektocht op internet maakt o.a. duidelijk dat er mogelijk sprake is van rasgebonden genen, dus zou bij beide populaties hetzelfde gen verantwoordelijk moeten zijn.
Vervolgens werd op het scherpst van de snede gediscussieerd over de betrouwbaarheid van de gegevens die gebruikt zijn om de genoemde percentages te berekenen.
Het blijkt dat men bij de AVLS, ondanks dat men weet en het ook overal openlijk toegeeft, aan het door de NVSWH verzamelde bewijsmateriaal van het inkruisen van honden van andere rassen lak heeft omdat dat bewijs niet ondersteund wordt door DNA-bewijzen. Fijntjes werd daarop nog even verwezen naar de kruising uit 2008 van die wolfhybride met een Saarlooswolfhond teef waarvoor men NHSB-stambomen probeerde aan te vragen.
Ook dat alle lijnen van honden waar DM bij geconstateerd is, zowel dragers als lijders, uitkomen bij dubieuze kruisingen werd door de aanwezigen van de AVLS voor het gemak stilgezwegen.
Kijk, dat is nou struisvogelpolitiek.
Aan de andere kant natuurlijk wel begrijpelijk dat men daarover niet wenst te spreken. Dat haalt de hele basis weg onder het streven van de AVLS naar het inkruisen van iets anders.
De wetenschappers die dit onderzoek verricht hebben valt natuurlijk niets te verwijten. Zij gaan uit van het materiaal dat zij krijgen en vanuit hun oogpunt is het onbelangrijk waar een erfelijke aandoening vandaan komt. Het feit dat die er is, is voor hen voldoende.
Wat opvalt is het inteeltpercentage.
Nemen we voor het gemak even de laatste dekking die door de NVSWH bekend gemaakt is: Josha x Ajia.
Uitgaande van 5 generaties komt het inteeltpercentage van de nakomelingen uit deze kruising op iets meer dan 0,14 (=14%). Gaan we echter, zoals voorgesteld, uit van meer generaties dan stijgt dit percentage dramatisch naar ruim 0,43 (=43%) bij 10 generaties.
Vergelijken we dit met het laatst bekende nest buiten de NVSWH (Hunter Wakanda Tachunga x Mikah Bantu Lobo Villa della Lupa waar het inteeltpercentage bij 5 generaties op 0,1258 [=12,58%] en bij 10 generaties op 0,3682 [=38,62%] ligt en rekening houdend met het feit dat in de 5e generatie in ieder geval één TWH [C. z. Polonin] ingekruist is, dan is het bij de NVSWH nog niet zo dramatisch slecht gesteld.
Tevens moeten we rekening houden met de invloed van de reuen die door Leendert Saarloos gedurende zijn laatste levensjaren massaal ingezet zijn. Hun invloed loopt door tot ca. 1985/1990 en dat zie je dus terugkomen wanneer je met meer dan 5 generaties gaat werken.
Mij persoonlijk lijken deze percentages nu niet direct te wijzen op de urgentie nu reeds een hond van een ander ras in te kruisen.
Al met al was het programma na de pauze interessant genoeg om daar een reis van 2 uur voor over te hebben. Het gedeelte voor de pauze had men wat mij betreft voor andere zaken mogen gebruiken.
Ruud in 't Veld