Rond 1932 begon Leendert Saarloos met zijn kruisingen tussen Duitse Herder en wolvin. In 1935 werden de eerste puppen geboren waarmee hij zijn plannen wilde verwezenlijken. Hij heeft hiertoe zeker vijf wolvinnen, die hij allemaal Fleur noemde, en in de beginjaren ook een paar Duitse Herders ingezet in zijn fokkerij.
Tot tweemaal toe heeft hij geprobeerd zijn schepping als Europese Wolfshond erkend te krijgen, maar beide keren werd zijn aanvraag afgewezen.
De wens een minder gedomesticeerde werkhond te fokken werd al snel de bodem ingeslagen. Het "wolfdeel" verhinderde dat. Wel bleken een aantal dieren geschikt om opgeleid te worden tot blindengeleidehond vanwege hun aangeboren voorzichtigheid.

(bovenstaande foto's zijn ter beschikking gesteld door de kleinzoon van de gefotografeerde)

Weer anderen werden opgeleid tot reddingshond. Hierbij moet wel aangetekend worden dat deze dieren meer herdersachtig waren dan de andere dieren waar juist het terughoudende van de wolf sterker aanwezig was.

Het uiterlijk van de honden was in de beginjaren voor Leendert Saarloos volkomen ondergeschikt aan de wens tot het scheppen van een gezonde werkhond. Dit was echter tegen de zin van de vele liefhebbers door het hele land. Sommigen daarvan besloten zelf, buiten medeweten van Saaarloos, te fokken teneinde het exterieur weer te laten lijken op dat van de half- en kwartwolven die men gekend had. Om toch nog grip te blijven  houden op zijn creatie werd in 1963 wederom een wolvin, ditmaal Fleurie genaamd, ingekruist.

Pas in 1975, 6 jaar na zijn dood, werd op initiatief van een aantal liefhebbers het ras erkend als Saarlooswolfhond. De rasnaam diende als één woord geschreven te worden om onderscheid te maken met de Ierse Wolfshond en het ras werd ingedeeld in rasgroep 1: Herdershonden en Veedrijvers. Een beetje vreemde eend in de bijt, want het is noch veedrijver noch herder.

Gelijktijdig met de erkenning van het ras werd een rasvereniging opgericht, 5 juli 1975, die de belangen van het ras ging behartigen. Al na enige jaren bleek dat de fokkerij een rommeltje was en in 1982 namen de leden, op voorstel van de toenmalige voorzitter, het drastische besluit de hele fokkerij te centraliseren. Met andere woorden: de fokkerij diende in dienst te staan van het ras en niet van de individuele eigenaar. Noodgedwongen moest men, net als bij het ontstaan van het ras, de eerste paar jaar teruggrijpen op inteelt. Maar al na enige jaren klom het ras uit het dal en gingen de dieren steeds meer de richting op van het ideaalbeeld zoals in de rasstandaard verwoordt. Dankzij dat zelfde centrale fokbeleid kon men verschillende foklijnen opzetten en konden de juiste combinaties gemaakt worden omdat alles nauwgezet op papier en later in een database werd vastgelegd.

Dit beleid had echter ook zijn keerzijde. Een aantal leden was het niet eens met de ingeslagen koers door de rasvereniging en ging hun eigen weg. Vanwege de zeer beperkte mogelijkheden die die mensen hadden ten aanzien van de fokkerij namen een paar het initiatief honden van andere rassen in te kruisen. Al snel doken Saarlooswolfhonden op met het uiterlijk van een Alaskan Malamute, Tsjechoslowaakse Wolfhond, wolfhybride, enz. Deze dieren kregen echter, o.a. door frauduleus handelen, toch een stamboom als zijnde Saarlooswolfhond. Tot op de dag van vandaag geschiedt dit nog met regelmaat.
Het gevolg is dat vanaf 1982 sprake is van twee sub-populaties Saarlooswolfhonden. De ene is gegarandeerd raszuiver, de tweede al lang niet meer.