“De Hondenvriend”
|
15 Juli 1942
|
1e Jaargangnummer 10 |
( 15 juli negentienhonderd twee-en veertig ) |
||
Wolfsbastaarden op de “Winner” Door: Dr. P.B.V. Quartero
Dankbaar plaatsen wij dit waarschuwende woord van den medicus en kynologischen historicus Dr. P.B.V. Quartero. Zou er, vragen wij ons af, verband bestaan tusschen de plotselinge toename der hondenziekte, die sedert kort ook volwassen dieren aantast, en den invoer van buitengewoon vele honden uit tal van landen, ook uit Azië, in den vorigen oorlog en daarna?
T.
Met groote waardeering vernamen wij het besluit van Cynophilia, op onder hare auspiciën te houden ten-toonstellingen ook honden toe te laten van niet gevraagde en niet erkende rassen. Terecht beoogt men hiermede belangstelling te wekken voor de ernstige pogingen, die reeds werden aangewend, om oude, nagenoeg uitgestorven, inheemse rassen uit de schamele resten weder op te fokken en hen voor algeheele verdwijning te behoeden.
De Drentsche patrijshond en de stabytjes, wier voorvaderen uit vroegere eeuwen voor ons geen onbekenden meer zijn, verwekten veler warme belangstelling, niettegenstaande de laatsten veel van hun zuiverheid hebben ingeboet en het ons speet, dat mevrouw van Hardenbroek haar nagenoeg zuivere exemplaren niet had ingezonden. De Wetterhoun, deze barbet-achtige does, verzamelde menigmaal genetici met vragende en peinzende blikken om zich heen. De oorsprong van dezen hond zal voorloopig nog een moeilijk op te lossen probleem blijven, terwijl de meening van den heer W. Hoeksma uit Twijzel, dat staby en wetterhoun de laatse jaren over en weer aan elkander een scheutje bloed gaven, aan het ten ‘Winner’ aanwezige materiaal overduidelijk merkbaar was. Deze bloedver-menging verwondert ons geenszins, omdat beide rassen sinds menschenheugenis in Friesland bijna uitsluitend door mollenvangers worden gebruikt en gefokt. 1)
In denzelfden hoek van de Apollohal kon men zich enkele malen vermaken over groepjes druk gesticuleerende bezoekers, die blijkbaar geïnteresseerd waren voor een serie wolfsbastaarden, die ook den weg naar den ‘Winner’ hadden weten te vinden. Voor deze menagerie werd de sensatie nog gestimuleerd door een stel photo’s, waarmede de benches waren geïllustreerd.
Dat de nieuwsgierigheid van het Zondagsche publiek door deze halfwilde beestjes was geprikkeld, is alleszins begrijpelijk, doch wat het bestuur van Cynophilia heeft bezield, om deze zielige ‘Fritto misto’ het hondenminnende publiek ter opluistering voor te zetten, is mij een raadsel.
Onze huisdieren toch, werden reeds door den primitieven mensch uit in het wild levende caniden gedomestificeerd, om hen aan hem dienstig te maken. Uit de toevallig aangetroffen of makke en daardoor handelbare wilde exemplaren werden door voortdurende inteelt met gelijkgeaarden ten slotte soorten en rassen verkregen, die zich volkomen als huisdieren konden aanpassen.
Door verder in te telen wist men uit deze gedomestificeerde exemplaren telkens dezulken te kiezen en te paren, die voor bepaalde diensten bestemd en geschikt waren. Aldus ontstonden successievelijk de jacht-, de herders- en de waakhond uit hun wilde voorvaderen. De wolf, de hyaenahond, de jakhals, de buansu hebben o.a. naar alle waarschijnlijkheid als oorspronkelijk fokmateriaal voor den primitieven mensch gediend.
Op gelijke wijze ontstonden het koudbloedpaard als lastdier en zijn warmbloedige tegenhanger als rij- en tuigpaard, de tamme buffel (karbauw) als zwoeger voor den ploeg en het rund, zooals onze rustieke dichter Poot zong, als ons ‘wandelend botervat’.
Edoch, de maniakale motieven, die de gedachte hebben beheerscht om ‘geen kuit en geen visch’-bastaarden te kweeken en daarmede plotseling terug te vallen tot de drijfveeren van den primitieven Homo Sapiens kan toch de sympathie van een met rede begaafden mensch niet ontmoeten!
Al mogen de op de ‘Winner’ aanwezige bastaarden, welker snuiten en schuifelende gangen ten gevolge van slappe achterhand ons nog sterk aan de roovers van de Pyreneeën en de Poesta herinneren, goedaardig zijn, het is velen onzer bekend, dat onder deze herder-wolfs-bastaarden menig voor de huiselijke samenleving gevaarlijk exemplaar bestaat.
Deze desillusies zijn den mensch uit het steenen tijdperk zeer vermoedelijk niet bespaard gebleven bij zijn eerste fokexperimenten, doch moeten wij zoo dwaas zijn om moedwillig de nadeelen, waarmede onze voorouders uit de koepelgraven werden geplaagd, ons op den hals te halen? Moeten wij na eeuwen en eeuwen noesten fokijver onzer voorouders, waardoor wij thans in het bezit van ons goede huisfikje en onze trouwen diensthond zijn gekomen en waarvoor tentoonstellingen voor een verdere verfijning moeten dienen, weer terugvallen tot de moeilijkheden van den mensch met den steenen knots en den steenen bijl?
Van welke caniden erfde de herdershond (schapenhoeder) de genen, die hem tot hoeder maken? Toch niet van den grootsten schapenroover, den wolf? Welke genen ontmoeten straks elkander weer, waardoor de herder weer wolf wordt? Zien wij de wolvengenen bij den herder, zonder inparing van den wolf niet al dikwijls tot ons ongerief samenkomen?
Er schuilt echter nog een ander, niet te onderschatten gevaar in deze manie van bastaardfokkers. Zoowel de mensch als het huisdier hebben in den loop van eeuwen pan-, epi- en endemieën doorstaan, waardoor een zekere graad van immuniteit voor infecties door hen werd verworven en geërfd.
Voor vele pathogene (ziekteverwekkende) microben zijn zij ongevoelig geworden door het dragen van immuunstoffen of (en) doordat bacteriën ten gevolge van een passage door ongevoelige dieren veel van hun giftigheid hebben ingeboet.
Bekend is, dat b.v. Eskimo ‘s, die benoorden wet en recht wonen en in die koude streken nimmer met pathogene microben in aanraking kwamen, zich een staalkaart van infectieziekten op den hals haalden, zoodra zij naar gebieden afzakten, waar in mildere luchtstreken bacteriën voorkomen. Doordat deze bacteriën nu gevoelige gastheeren ontmoetten, kon men het merkwaardige feit vaststellen, dat die microben ook voor den ongevoelig geworden mensch weer giftig werden. Door laboratoriumproeven is deze verzwakking, resp. giftiger worden door z.g. dierenpassage afdoende bewezen. De lues, die eerst voor enkele jaren zijn intrede deed bij wilde volksstammen op Nieuw Guinea, verwekt aldaar zulke foudroyante verschijnselen, als geen Europeesch arts nog bij zijn patienten hier heeft kunnen ontmoeten. Zoo dragen wilde en tamme dieren over en weer aan elkaar bacteriën over, die voor den een reeds goedaardig, doch voor den ander nog funest kunnen zijn. Het is een bekend feit, dat wilde dieren microben kunnen activeeren, die zich voor onze huisdieren tot nu toe fatsoenlijk gedragen hebben. Niet zonder reden vreezen diergaardedirecteuren den moderne bouw en inrichting van dierentuinen, waar het publiek de beesten graag in kudden tezamen in groote, omheinde ruimten ziet, in stede van in benauwende hokjes van elkander geïsoleerd. Onheilverwekkende epidemieën, veroorzaakt door bacteriën, waarvoor een groot deel der kostbare inventaris verloren ging, waren het gevolg van het contact tusschen huis- en wilde dieren en de samenhooping der laatste in moderne diergaarden. Onnoodig te vermelden, hoe de thans door dierpassage giftig geworden micro-organismen weer hun onheil over onze tamme dieren kunnen verspreiden.
Nu blijven dieren in een dierentuin door hun isolement nog eenigermate buiten contact met onze huisdieren en onzen veestapel, doch de bastaardwolf zal voor huishond moeten dienen en er zal derhalve een innig contact ontstaan tusschen dezen gevaarlijken gastheer en onze Fikkies en Fannies. Dit gevaar nu is niet denkbeeldig; dierenartsen zullen het met mij eens zijn en dergelijke opvlammingen van epidemieën zullen velen hunner wel hebben kunnen vaststellen.
Men mag van geluk spreken, dat door den import van Samojeden, Eskimohonden, Malemuten en Huskies geen activeering van sluimerende bacterieën is geschiedt. Want niet alleen het wilde dier en deszelfs bastaarden vormen bronnen van boven uiteengezet gevaar, ook tamme dieren uit geheel andere, met ons klimaat veel verschillende, luchtstreken kunnen een factor daartoe bijdragen, afgezien nog van de bacterieën, die zij medevoeren en waarvoor onze huisdieren nog geen immuniteit bezitten.
De oude bodemtheorie, ter verklaring van plotseling oplaaiende epidemieën, maakte reeds baan voor de theorie van dierenpassage. De herdershond, die in vele gebieden nog als beschermer tegen roofzuchtige aanvallen van wilde dieren dienst doet, meenen sommigen, vermoedelijk begaafd met een groote voorliefde voor het dompteurschap, gesteund door fanfare- en photoreclame, aan hun grootsten vijand, den wolf, te moeten mésallieeren.
Direct tegenover den stand dier griezelige bastaardfokkerij kon men een prachtigen ‘Cane Pastore’, den braven hoeder der Romeinsche schapen uit de Apenijnen, bewonderen. Deze trouwe hulp van den scheper, die met zijn evenbeelden, den Pyreneeër en den Kuvasz uit de Hongaarsche Poesta zoo merkwaardig op dezelfde geographische breedte huist, waardoor men nogmaals een aanleiding vindt, om als hun voorvaderen de honden van Alcibiades, de Molossi der Epiroten, te vermoeden, zag men vis à vis met de wolfsbastaarden tentoongesteld.
O, spel van het noodlot, de machtige hulp van den mensch en vermaarde Hellewacht (volgens laat-Romeinsche schrijvers was ook Cerberus, de Helhond, een Molossus) onder één dak met den bastaard van een soortgenoot.
Het valt niet te ontkennen, dat het fokken van kruisingen van den huishond met wilde caniden voor experimenten van genetici, voor wie nog onopgeloste vraagstukken opgestapeld liggen, van groot nut kan zijn. Men zit hier niet verlegen om zeer goede genetici; in de wereld van hondenliefhebbers zijn de heeren Hagedoorn en Hirschfeld geen onbekenden en het zou zeer te prijzen zijn, indien goede fokkers hun materiaal en de uitkomsten van hun werk ten dienste van onze reuzen in de genetiek stelden, zooals mevr. G. Pouw, de bekende Teckelfokster uit Voorthuizen, met succes toepaste, doch men fokke dan geheel in overleg met genoemde bevoegden. De wilde weg, dien men met de bastaardwolven insloeg, is m.i. verwerpelijk. Deze producten kunnen in de kennel van de wetenschap groote diensten bewijzen, doch sieren een tentoonstelling van honden in geen geval.
In een aan historici bekend oud Turksch werk over de Valkerij staat beschreven, dat de havik als een kruisingsproduct van den valk en een wilde canide moet worden opgevat. Deze merkwaardige kruising (welke glibberige paden bewandelt de historicus niet in de opsporing zijner bronner) werd door Romeinsche schrijvers als ooggetuigen bevestigd.
Zouder er op de volgende ‘Winner’ valkeniers met havikken ter opluistering worden toegelaten?
QUARTERO.
1) |
Volgens veler meening zouden zij staande honden zijn geweest en eerst nadat de Mode hen voor Britsche en Duitsche rassen had aan kant gezet en toen armoede der bewoners en de hooge prijs voor mollevelletjes tot de onzalige vervolging van deze nuttige insectenverdelgers leidde, verkleind voor het vervoer op de fiets. |
T.
=====================
ONDERSCHRIFT
Op verzoek van de hoofdredactie wil ik een enkel woord aan het artikel van den heer Quartero laten volgen.
Zooals de ingewijden wel weten heb ik het werk van den heer Saarloos vanaf het allereerste begin van heel nabij gevolgd, vooral ook omdat het juist uit het oogpunt van de oude vraag naar den oorsrong van onze tamme honden van groot genetisch belang leek. Zooals men weet is uit den Duitschen herdershond, zooals die ook nu nog wel hier en daar bij de kudde voorkomt, indertijd een politiehond gemaakt, waarbij kruisingen met wolven wel in hoofd-zaak de hiervoor noodige variabiliteit gegeven hebben. Het is dan ook geen wonder dat men wat anatomie en algemeen voorkomen betreft onder de wolfsbastaarden van den heer S. weer dezelfde typen ziet komen, die bij het eerste opkomen van de politiehond-herders in dat ras voorkwamen. Het verschil tusschen den Duitschen herder van tegenwoordig en de dieren die de heer Saarloos op de ‘Winner’ liet zien is vooral gelegen in een groot verschil in doorsnee-karakter. De tentoonstellingsherders zien er tam uit, de wolfbastaarden maken een roofdierindruk, maar zijn bij de eersten vergeleken net als goed opgevoede wolven door en door betrouwbaar en eerlijk.
Het viel de meeste bezoekers op, dat iedereen met goed vertrouwen al die verschillende beesten kon aanhalen in de benches, terwijl men dat bij de afgerichte herders wel uit zijn hart laat. Door binnen de variabele groep van de herdershonden op rare standen (‘goed gewinkeld’ heet dat in mooi Hollandsch) en op wantrouwende aard (goed scherp) te selecteeren heeft men dieren gekregen, waar de gewone hondenliefhebbers vaak afkeerig van zijn. Het gevaar dreigt heel zeker, dat hetzelfde ook weer het geval zal zijn met de groep honden van den heer Saarloos, tenzij hij en zijn medefokkers in dit geval beter op rustig betrouwbaar karakter letten dan de tentoonstellings-herders-menschen. En het gevaar dreigt ook, dat men de groep door den Duitschen herder gaat heenknoeien. Hiertegen helpt het allicht wanneer men het typische lichtgele oog, zooals men dat bij de herders leelijk vindt, als raskenmerk vasthoudt. Het is zeker de bedoeling van de heer S. om een politiehond te maken naast de herders-honden.
De heele inzending had zeer veel in waarde gewonnen, wanneer men een verstandige keuze had gedaan, en hoogstens een viertal of zestal van de meest typische dieren had ingezonden. De veelheid, en vooral ook de omstandigheid dat er vele slecht gevoede dieren bij waren (op zichzelf in deze tijden begrijpelijk) schaadde.
Ook de herdershondenmenschen brengen hun magere of slappe honden niet op de tentoonstelling! Toch vraag ik me af of de heer Quartero de bastaarde wel eens in hun gangen en gedragingen heeft meegemaakt, of dat hij ze alleen maar in de benches zag.
De bacteriologische kant van het betoog van den heer Q. is heel interessant. Inderdaad is er alle reden voor om aan te nemen, dat honden uit goed geïsoleerde verre streken bijzonder vatbaar kunnen blijken voor ziekten, die bij onze stadshonden betrekkelijk goedaardig zijn. Dat geldt wat de hondenziekte (Carré) betreft heel stellig voor alle Eskimohondenrassen, ook voor den Elandhond en voor den origineelen Newfoundlander. Dat geldt ook voor den wolf en voor zilvervossen. Het is heel waarschijnlijk dat ook onder de nakomelingen van de bastaarden in Dordrecht zeer vatbare pups zullen geboren worden. Maar die moeilijkheid treft dan toch vooral de eigenaars van die bastaarden zelf, gedurende de eerste zes of acht generaties, waarin zulke extreem vatbare dieren uit de groep ‘uit-Mendelen’, het is wat erg ver gezocht om er een gevaar in te zien voor andere hondenrassen. Bij die aanpassing van huisdierrassen aan viren en aan bacteriestammen zijn het stellig niet deze laatsten die veranderen, maar door een soort natuurlijke selectie passen de huisdieren zich aan de voorkomende ziekten aan. Dat wil zeggen dat de extreem gevoelige exemplaren verloren gaan en dat de normaal (partieel) resistente individuën het ras verder voortzetten.
Een gevaar van dit gekruis tusschen wolf en hond, dat zou dreigen voor onze honden, kan ik in deze dingen niet zien, hoogstens dreigt het gevaar van concurrentie voor andere politiehondenrassen, wanneer mocht blijken dat onder deze groep bijzonder geschikte karakters voorkomen. En hoe minder men ze op herdershonden doet gelijken, des te kleiner is de kans dat ze in de herders ondergaan, maar des te grooter wordt ook het concur-rentiegevaar voor de fokkers van zenuwachtige herdershondenrassen.
HAGEDOORN.