De Hondenvriend

 Tijdschrift gewijd aan de belangen van Honden en Hondenvrienden

 Waarin opgenomen de Officieele Mededeelingen van den
Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland.

 Verantwoordelijke Hoofdredacteur: Han Jüngeling
Redactie Commissie:
F.A.J. Alofs, Dr. A.L. Hagedoorn, J.L.J.J. Harms, G. van Herwaarden.

Verschijnt op den eersten en vijftienden van iedere maand.
Uitgeefster: A.J.G. Strengholt's Uitgeversmij. N.V.    Leidschegracht 11, Amsterdam-C.

 

 

Overgenomen  uit het kynologisch  tijdschrift  “de Hond”       12 maart 1938

 (12 maart negentienhonderd acht en dertig)


 

Hoe men in de niet-vakpers kynologisch wordt voorgelicht

De heer Pieterse heeft onlangs gefoeterd tegen de beunhazerij op kynologisch-journalistiek gebied in de niet-vakpers en klaarblijkelijk terecht.
Althans ontvingen wij van bevriende zijde een uitknipsel uit de Arnhemsche Courant, waarin meer dan een halve pagina wordt gewijd aan de bastaardenfokkerij van den heer Saarloos, ‘s Gravendeelschedijk te Dordrecht.
De heer Saarloos, die hèt, volgens bovengenoemd blad, niet kon bolwerken in zijn electro-technisch bedrijf, daarna ook niet in zijn Angora-Konijnenfokkerij, gaat het nu eens probeeren met de fokkerij met ongelijksoortige dieren.
De heer Saarloos had op tentoonstellingen Duitsche Herders gezien, welke niet aan alle eischen voldeden en ten einde nu dat geconstateerde tekort op te heffen, heeft hij zich tot doel gesteld om het Duitsche Herderras ‘te zuiveren en te veredelen’, door het te gaan kruisen met wolven!
Want, zoo redeneert de heer S., de Duitsche Herder moet afstammen van de Europeesche wolven (de wetenschap ‘vermoedt’ nog slechts, dat zijn voorouders tot een wolfssoort heeft behoord), zonder dat men daarvan bij het huidige ras iets kan bemerken. En omdat hij dat laatste niet in den haak acht, zal hij het ras gaan ‘verbeteren’ door zijn -afgaande op en in de Arnhemsche Courant voorkomende foto- hoogst middelmatigen Duitschen Herder-reu te paren met een dito wolvin. Behalve de reeds genoemde ‘zuivering en veredeling’ van het Duitsche Herderras beoogt de heer Saarloos voorts, om langs dezen weg een politiehond te scheppen, als er nog niet geweest is. Nu, aan dit laatste behoeft trouwens niet de geringste twijfel te bestaan, maar met dit doel voor oogen, klinkt het niet erg bemoedigend, wanneer de verslaggever van het voornoemde blad o.a. zegt, dat hij kwam te staan voor drie hokken, waarin de wolvin en de twee nu bijna volwassen half-wolven, schuwe dieren, die hun lichte oogen...... enz. De eerste symptonen van de ‘zuivering en de veredeling’!
Het blad vermeldt nog, dat het den heer S. niet deert dat men zijn bastaarden niet wil registreeren (geen wonder) en dat hij daarvoor geen belasting behoeft te betalen. Ook geen wonder. Wij lezen dan verder, dat er in een andere afdeeling nog vier Duitsche Herders zijn ondergebracht en wanneer dit nu zou kunnen duiden op de mogelijkheid van gaan experimenteeren op ruimere schaal, dan moeten wij het bestuur der V.D.H. er toch op attendeeren, dat hier werkelijk gevaar bestaat, dat het ras in de naaste toekomst door even onwetenden als de heer S. ten zeerste kan worden geschaad en dat het onverwijld maatregelen dient te treffen om dat onheil af te weren.
De mogelijkheid voor dat gevaar wordt niet weinig verhoogd door de mededeeling, dat de heer S. in zijn streven wordt gesteund door een werkelijken deskundige als Dr. A.L. Hagedoorn uit Soesterberg.
Of en in hoeverre deze aanbeveling met toestemming van Dr. H. geschiedt, is ons niet bekend. Wij verwachten veeleer, dat Dr. H. eerbied zal hebben voor het prachtige werk door de Duitsche Herderbeweging verricht, een arbeid, welke iedere rasfokkerij tot voorbeeld kan strekken. Tegen dergelijke experimenten, uitsluitend gebaseerd op wetenschappelijken grondslag en met als eenig doel terugfok op een prototype, kan uiteraard geen bezwaar worden geopperd, mits slechts alle voorzorgsmaatregelen worden getroffen (gelijk reeds in Duitschland geschiedde), dat de belangen van een gefundeerd ras niet kunnen worden geschaad m.a.w., dat de producten van een dergelijke fokkerij niet in handen van leeken geraken. Wanneer evenwel aan dergelijke proefnemingen, zooals hier het geval schijnt te zijn, ook nog commercieele doeleinden ten grondslag liggen, dan ontbreekt iedere waarborg tegen nadeelige gevolgen voor het ras.

De afschildering van den wolfsaard uit ‘Brehm’s  Tierleben’, waarmede de verslaggever zijn artikel aanvangt, zal op zich zelf nog niet voldoende blijken, eventueele liefhebbers af te schrikken, om tot aankoop van de wolfsbastaarden over te gaan. Het abnormale trekt nu eenmaal velen aan.
Voor den geneticus is deze kruisingsfok  ongetwijfeld interessant, maar laat dan ten minste anderen daarvan niet de dupe worden.
Den heer S. is het evenwel niet voldoende om als redder op te treden van het Duitsche Herderras, want hij heeft nog meer pijlen op zijn boog, welke doen vermoeden, dat hij niet alleen de dierenvriend is, zoals meergenoemde verslaggever hem afschildert (dat zijn Duitsche Herder als kettinghond wordt gehouden, wijst overigens niet in deze richting), doch tevens van ‘Kaufmännisch’ inzicht blijk geeft.
Voor hen, die tegen het coupeeren van honden zijn, maar toch gaarne een vertegenwoordiger zouden willen bezitten van de rassen, welke aan deze bewerking onderworpen plegen te worden, heeft de heer S. ook wat bedacht. Of dat eveneens staat te gebeuren onder de auspiciën van Dr. H., valt niet direct uit het betreffende artikel af te leiden.
De heer S. is namelijk ook eigenaar van twee vossen en twee dwergpinschers. Deze nog grootere ongelijksoortigheden wil hij gaan kruisen in de verwachting, dat zij een nakomelingschap zullen geven, bij welke het coupeeren van ooren en staart overbodig zal worden!
Wij vragen ons af, waarom kruist de heer S. die dwergpinschers niet liever met de bunzings, welke zijn kennel eveneens herbergt. Hij maakt dan een prachtkans op een fokproduct, waaraan niet alleen in figuurlijken, maar ook in letterlijken zin een ‘luchtje’ zit.
De hazen en de konijnen zijn ook niet veilig voor de fokdrift van den Dordtschen tovenaar, want ook deze zal hij trachten te kruisen, waarmede hij de op zoo hoog peil staande raskonijnenfokkerij vermoedelijk weinig ge-waardeerde diensten zal bewijzen.
Bij het lezen van deze noviteit schoot ons onwillekeurig het voor ruim 45 jaren zeer populaire wijsje in de gedachten:

‘Het is geen haas, geen konijn,
Sapperloot, wat zou dat zijn?’

In het droeve artikel van de Arnhemsche Courant zien wij toch nog één lichtpunt.
De nadruk is n.l. verboden, zoodat mag worden verwacht, dat slechts in zeer beperkten kring ‘geprofiteerd’ zal kunnen worden van de voorlichting, welke het blad zijn lezers biedt *).

H.D.G.

*) Soortgelijke artikelen verschenen ook in andere provinciale bladen.  Red.