“De  Hondenvriend”

1 Juni 1942

1e  jaargang

Nummer 7

Door: Han Jüngeling

( 1 Juni Negentienhonderd twee-enveertig )


 

De Winner-tentoonstelling 1942

 

Ons verslag van de Winner werd in het vorige nummer afgebroken bij de bespreking van de 16 honden uit de fokkerij van den heer Saarloos, die Duitsche herders met wolven gekruist heeft en met deze kruisingen door-fokt en verder experimenteert. Over de fokkerij van den heer Saarloos is reeds veel geschreven. Periodieken en dagbladen hebben er kolommen met foto’s aan gewijd en wij mogen wel zeggen, dat hoe meer er over geschreven werd, des te meer twijfel er ook in kynologischen kring rees aangaande het nut van de pogingen van den heer Saarloos. In onze kring vreesde men vooral, dat de bedoeling van den heer S. was, den Duitschen herder door wolvenbloed te verbeteren. Dat men daar geen heil in zag, is begrijpelijk, want het is al moeilijk genoeg den Duitschen herder een karakter te laten behouden, dat bij den oorspronkelijken aard van het ras past, nadat eenige decennia massafok en onoordeelkundige dressuur-experimenten vrijwel onherstelbare schade hadden aangericht. Wij kunnen ons levendig voorstellen, dat de goede liefhebbers van den Duitschen herder bij het vernemen van wat de heer  Saarloos zich met zijn fokkerij voorstelde -uiteraard afgaande op wat de pers daar al zoo over publiceerde- hebben verzucht: bewaar ons ras voor verdere experimenten.

Objectiviteitshalve dient echter thans, nu we de honden uit kennel v.d.Kilstroom op de Winner gezien hebben, te worden vastgesteld, dat het ten eerste niet de bedoeling kan zijn, den Duitschen herder te verbeteren, ten tweede wel degelijk de opzet is, een nieuw ras op te bouwen, en ten derde, dat de pogingen daartoe nog steeds in een beginstadium verkeeren, waarbij niet over het hoofd mag worden gezien, dat het karakter dezer kruisingsproducten opvallend rustig is.
De weg, dien de heer Saarloos bewandelt om een nieuw ras te verkrijgen, wijkt o.i. eenigszins af van den in deze eeuw meestal gebruikelijken. Dat komt, omdat men gewoon was, in de eerste plaats op uiterlijke eigenschappen te fokken, meestal met verwaarloozing van karakter. Een gelijksoortig uiterlijk was het belangrijkste, want, had men dit eenmaal bereikt, dan volgde erkenning als ras bijna vanzelf. Men kan echter ook trachten bepaalde gebruiks-capaciteiten vast te leggen. Honden met afwijkend uiterlijk, die voor hetzelfde werk geschikt zijn of bewezen hebben bruikbaar te zijn, worden dan met elkaar gepaard. Op den langen duur ontstaan ook hieruit rassen, waarvan het uiterlijk der vertegenwoordigers hoe langer hoe meer overeen-stemming vertoont, omdat men als vanzelf, als de beoogde gebruikshoedanigheden zijn vastgelegd, ook op uiterlijk zal gaan fokken.
Dat het den heer Saarloos niet te doen is om tentoonstellingsfok, bewijst min of meer, dat het zooveel jaren geduurd heeft, voordat men zijn fokproducten op een tentoonstelling te zien kreeg. Wat hij wel poogt te krijgen, zijn voor politiewerk geschikte honden, waarop men zich onder alle omstandigheden kan verlaten. Die dus het altijd iets onberekenbare van de bekende rassen missen, maar meer naar tamme wolvennatuur steeds volkomen gehoorzaam en betrouwbaar zijn. Dat het hem tot dusver niet best lukken wil, zijn honden voor ‘manwerk’ af te richten, is voor wie de wolvennatuur kent, niet zoo verwonderlijk.
Dr. Hagedoorn vertelde ons, dat hij voor deze fokkerij eenigszins medeverantwoordelijk was.
Het zou interessant zijn te vernemen, welke mogelijkheden dr. Hagedoorn in een voortzetting van deze experimenteele fokkerij ziet. Wij weten, dat wij met instemming van onze lezers tot dr. Hagedoorn het verzoek richten over deze interessante fokproblemen ‘hals te geven’.
Bij de officieele rassen was nog een hond der Maremmen ingeschreven, hetgeen wij in ons vorige overzicht verzuimden te vermelden. De hond der Maremmen is een Italiaansche berghond, waarvan het werk hetzelfde  is  als van den Pyreneeschen berghond.
Het uiterlijk van den hond, die op de Winner geëxposeerd werd, stemde in veel opzichten overeen met de honden, die dikwijls op doeken van den 17e eeuwschen Duitschen veeschilder Johann Heinrich Roos voorkomen, en die bij voorkeur Italiaansche landschappen met typisch vee en honden uit de streek stoffeerde.

De V.D.H. berichtte ons, dat abusievelijk vermeld werd, dat deze vereeniging de viering van haar 25-jarig jubileum aan de Winner verbonden had. Zij is nog voornemens een jubileum-clubmatch te houden.

 J. H