De Hondenvriend

September   1942

(Quartero)

(Negentienhonderd twee-enveertig)


Nogmaals Wolfsbastaarden

Met groote waardeering voor het onderschrift, waarvan u mijn artikel over de Wolfsbastaarden in “De Hondenvriend” van 15 juli l.l. voorzag van de hand van niemand minder dan dr. Hagedoorn, zag ik gaarne nog de volgende opmerkingen geplaatst.
In de eerste plaats kan het ons niet anders dan verblijden, dat dr. Hagedoorn het fokken dezer bastaarden van meet af aan heeft gevolgd en ongetwijfeld ook eenig nut uit de resultaten heeft weten te putten, dat de genetiek wellicht ten goede is gekomen. Het is mij te eenen male niet mogelijk, eenig ander voordeel uit die kruisingen te resumeeren.
Dat het karakter der hier in Nederland aanwezige Duitsche herders de laatste jaren zoo achteruit is geloopen, vindt m.i. zijn oorzaak in de vroeger gepleegde kruisingen met den wolf. Het zijn de wolfsgenen, die in ons huidige geslacht van de Duitsche herders cumuleeren, waardoor deze onbetrouwbaar en min of meer gevaarlijk zijn geworden. Wie eenige ervaring heeft van getemde wilde dieren weet, dat deze, hoe lief en tam zij ook mogen schijnen op onverwachte momenten en situaties kunnen uitvallen, waardoor ongelukken ontstaan. Ik heb die ervaring opgedaan bij tijgers, apen, beertjes, roofvogels en ook bij wolven. Indische kornakken en oppassers van olifanten in onze diergaarden zijn bij hun gedwee schijnende olifanten steeds op hun qui vive. De kruisingen van Duitsche herder met wolven zijn vroeger reeds geschied, toen omstreeks 1912 hier ten lande de belangstelling voor den Duitsche Herder groeide en wel voornamelijk door de goede eigenschappen, die men bij hem verwachtte voor het politiewerk. Ik herinner mij zeer goed in het Gooi enkele van die bastaarden gezien te hebben. Het waren toen allerminst lieve diertjes, die door een ieder, zonder gevaar van een knauw op te loopen, konden worden geaaid. Het is een zeker, doch ook betreu-renswaardig feit, dat men die kruisingen ook elders heeft doorgevoerd, om meer scherpte in den politiehond te krijgen. Toen het geboefte eenige ervaring van deze trouwe politiehulp kreeg, rees de behoefte aan meer strijdbare honden. Deze moesten behalve speurders en verdedigers ook pakkers worden, men kreeg behoefte aan moedige honden. Doch weldra bleek, helaas te laat, dat men geen moedige, doch valsche, onbetrouwbare honden had gefokt. Ik heb de laatste 9 jaar met veel belangstelling de pogingen in Duitschland gevolgd, moedige jachthonden te fokken, honden, die behalve over de eigenschappen die hen voor de jacht nuttig maken, ook over meer “Mann- en Raubzeugscharfe” beschikken. Men tracht dit te bereiken door selectie en niet door kruisingen. Men is er algemeen ook van overtuigd, dat de moedige hond, die geheel aan de gestelde eischen voldoet, geen valsch, onbetrouwbaar exemplaar, doch integendeel een meegaand en voor ieder toe-gankelijk dier is. Een valsche en onbetrouwbare hond behoort in den regel tot het laffe soort, gelijk het wilde dier. Ja, het wilde dier is laf, dat zal ieder grofwild jager kunnen getuigen. Het komt zelden voor, dat de mensch in de wildernis zonder meer door een wild dier wordt aangevallen. Het zijn de jagers die het dier verwonden, zich te vroegtijdig te dicht bij het wondbed waagden, en de klappen krijgen. Missionarissen, die Afrika’s savannen wekenlang te voet doorkruisen doen dit veelal ongewapend en weten ons te vertellen, dat leeuwen, luipaarden, buffels en olifanten bij het naderen van een mensch zich schielijk uit de voeten maken. Wolven die in het nachtelijk uur schapenkudden belagen, verdwijnen door hondengebrom en het klappen van des schepers zweep. Ik was persoonlijk getuige van de lafheid van een troep Adjaks, die met veel misbaar en niet veel goeds in den zin, een klein gezelschap jagers naderde, doch het hazenpad koos, toen een der heeren ‘n schot had gelost.
De politiehondgeleider heeft behoefte aan een moedigen hond, en schuwt den onbetrouwbaren, valschen, die (afgezien van de slecht en half gedresseerde exemplaren) bij een fiets “afgelegd”, iederen voorbijganger naar de kuiten schiet.
Een hond, die vast blijft houden en niet bij het eerste verweer van den boef loslaat, om op een eerbiedigen afstand te staan dreigen en schelden, maar, daarbij ook zoo een, die bij het eerste bevel onmiddellijk den boef met rust laat; ziedaar de eigenschappen welke men uitsluitend van moedige, betrouwbare honden kan ver-wachten en nimmer bij het wilde dier zal aantreffen.
Men heeft ook hier ten lande het systeem van selectie ter verkrijging van moedige honden toegepast en de schijnmoedige exemplaren geëlimineerd. Het is niet, zooals dr. Hagedoorn meent, dat verkeerde selectie bij een behoefte aan “scherpte” den Duitsche herder tot het huidige misproduct heeft vervormd, doch m.i. heeft, ondanks het emilieeren der onbetrouwbare elementen, de goede poging gefaald. En dan is de werkelijke oorzaak daarvan niet ver te zoeken; cumulatie van wolfsgenen, waarmede men het ras moed meende in te blazen, bevorderde dat jammerlijk einde van een eens roemrijk geslacht. Het intelligente, handelbare, dresseerbare huisdier verkreeg men bij de domestificatie door selectie en er bestaat geen wild of halfwild dier, dat het in intelligentie en bij gevolg ook in betrouwbaarheid evenaart. Het wilde dier handelt naar instincten, het intelligente huisdier beschikt ook over een weinig verstand.
Het is niet te verwonderen, dat de Duitsche herder nog weinig op het strijdtooneel van de politie verschijnt en allengs vervangen werd door den Belgischen bouvier en honden van andere rassen. In ‘t district Arnhem kan men wonderlijk mooi politiewerk zien verrichten door den boxer van mr. Barends.
Op de vraag van dr. Hagedoorn, of ik de bastaarden ook in hun gangen heb gadegeslagen, moet ik bevestigend antwoorden. Met inachtneming van eigenaardigheden door ondervoeding ontstaan, vertoonden de dieren bijna uitzondering de typische “pas de loup” en sterk “gewinkelde”- achterhand.
Dat ook deze uiterlijke eigenschap den fokker van den Duitsche herder heeft verleid om zijn product te verfraaien, was mij niet bekend, doch moet ik ten zeerste betreuren. Ik schreef er reeds eerder in dit blad over, dat de sterk gehoekte achterhand een modegril is, die op tentoonstellingen door velen nog wordt ge-waardeerd en berust op een oude dwaling, die gesproten is uit een reeds lang geleden verkondigde meening, dat zij goede en vlotte gangen waarborgt. Houders van gebruikshonden hechten geen geloof meer aan dit sprookje en weten juist dat weinig “aarde” tusschen de voeten goede, vlotte gangen, een goed springvermogen en uithouding waarborgt. Dank zij eeuwenlange selectie overtreft het goed gefokte gebruiksdier, hetzij hond of paard ook physiek verre zijn wilde soortgenooten.
En ten slotte de hygiënische zijde van mijn artikel. Hoewel een tijdschrift voor kynologie niet de plaats is, om polemieken over dit chapitre te voeren, moet ik een kleine rectificatie aan mijn oorspronkelijk betoog toevoegen, omdat ik meen, dat dr. Hagedoorn vermoedelijk mijn bedoelingen niet goed heeft begrepen. Wellicht was mijn betoog niet voldoende duidelijk of was ik niet imperatief genoeg in het wijzen op de door mij vermeende gevaren, die het kruisen met wolven veroorzaakt.
Daarvoor bied ik dr. Hagedoorn en den anderen lezers wel mijn verontschuldigingen aan. Volgen wij, hetgeen dr. Hagedoorn woordelijk geschreven heeft: “Bij die aanpassing van huisdierrassen aan viren en aan bacteriestammen, zijn het stellig niet deze laatsten, die veranderen, maar door een soort natuurlijke selectie passen de huisdieren zich aan de voorkomende ziekten aan”.  Ik zou deze stelligheid niet geheel durven onderschrijven. Er zijn, zooals ik schreef, verschillende oorzaken in het spel en men weet niet, welke daarvan ertoe hebben bijgedragen, omdat de mensch hier doelbewust geen aandeel in had. Hier koos de natuur haar eigen weg dien men slechts kan gissen. Doch in deze aangelegenheid schuilt allerminst het gevaar, waarvoor ik meende te moeten waarschuwen; juist de tegenovergestelde loop van zaken is te duchten, het activeeren, het virulent worden, van vrij goedaardige microben ten gevolge van passage door extreem gevoelige dieren, waarvoor min of meer ongevoelige dieren thans vatbaar worden. Dat deze moeilijkheid vooral de eigenaars van die bastaarden zal treffen, meen ik ten zeerste te moeten betwijfelen. De dieren zijn toch voor den handel bestemd, ten minste een der exemplaren werd in den catalogus van de Winnertentoonstelling te koop aangeboden. Men weet niet, of het verkochte dier toevallig een extreem gevoelig exemplaar is en als dit dier in zijn nieuwe tehuis besmet wordt en het virus zou activeeren, dan zullen de poppen reeds aan het dansen zijn.
Welke Rotterdammer denkt niet nog met schrik aan de epidemie, die enkele jaren geleden wijk na wijk het hondenvolk in onze goede stad teisterde en decimeerde. Ik verloor persoonlijk zes van mijn beste honden, die met één enkele uitzondering, alle ouder dan twee jaar waren, leeftijden, waarop tijdens endemieën honden minder vatbaar plegen te zijn. Er kunnen ook andere factoren, dan passage door extreem gevoelige dieren, in het spel zijn, waardoor een bacterie in virulentie toeneemt, doch het is niet twijfelachtig, dat men met de invoering van vreemde caniden den vos in het hoenderhok brengt.

Quartero.