De Hondenvriend

September 1942

(Door: v.d. Akker)

( September negentienhonderd twee-enveertig )


 

Gebruikshonden en “Gebruiks” -rashonden ?

De gedachtenwisseling  Quartero-Hagedoorn in “de Hondenvriend” van 15 juli 1942 geeft mij aanleiding hier het onderwerp ‘gebruikshond’ eens aan te snijden. (In het verband van dit epistel sluit ik jachthonden, windhonden, e.d. van de bespreking uit).

Ter zake het punt in geding, de wolfsbastaarden en hun mogelijkheden lijkt een afwachtende houding de meest juiste. Echter met in achtneming van de gevaren die van die zijde dreigen, want ik geloof dat de intro-duceering van (mogelijk) extreem ziekte-gevoelige dieren in onze hondenpopulatie, uiterste achtzaamheid gebiedt.
Naar mijn ervaring toch  -gestaafd door die van erkende bacteriologen- kan een virus na passage door over-gevoelige dieren een zoodanig kwaadaardig karakter krijgen dat voorheen vrij resistente dieren, door zoo’n gereactiveerde smetstof te gronde gaan!
Over den gebruikshond dan, heerscht in kynologenkring, en ook bij de aanhangers der gebruikshondrassen, veel misverstand. Tot schade zoowel van de aanwending van den gebruikshond als van die liefhebbers. We moeten helaas vaststellen, dat er tusschen deze beide groepen practisch geen contact bestaat, dat logisch gedacht, voor beide partijen toch zoo vruchtbaar kon zijn. Het is vanzelf principieel onjuist het gedrag van een willekeurigen hond te vergelijken met de houding van een dier dat men door africhting een zekere reactie heeft aangeleerd. Onmiddellijk moet ik hierop laten volgen, dat het een nieuw misverstand zou zijn te veronderstellen, dat die africhting tot gevolg zou hebben, dat zoo’n hond een gevaarlijk dier wordt.  “Pas op, het is een politiehond”.
Neen, een afgerichte is en mag nimmer zijn een gevaarlijke hond. Integendeel, juist door het appél (stipte gehoorzaamheid) - punt een van alle africhting waarop bij den gebruikshond zooveel nadruk  gelegd wordt - is er geen sprake van gevaarlijkheid voor een argeloos waarnemer, die zijn handen thuis houdt. Dat laatste is toch niet te veel gevraagd? Op elke tentoonstelling  -waar afgerichte honden toch witte raven zijn-  geldt het verbod de dieren aan te raken. Dat is zeker niet louter uit preventieve bedoeling ten aanzien van ziekten.

De gewenschte aard en natuur (wezen)
Welke eischen stelt men wel aan den aspirant-gebruikshond?  De dressuur zoekt zeker niet een bijtlustigen of nijdasserigen hond, al is er wel eens een enkeling geweest, die meende dat dwarsheid, weerbarstigheid tegen den baas, een deugd genoemd moest worden. Dat zijn bedorven hondennaturen, mogelijk gevolg van niet voor het werk berekende africhters. Ook die zijn er!
De ervaren gebruikshond-man zoekt een goed gebouwden hond tusschen 55 en 65 cm schofthoogte met onbevangen, evenwichtige moedige, temperamentvolle natuur; een die vol opmerkzaamheid is, die als het ware oogen en ooren overal heeft. Hij mag gerust goedaardig zijn als hij maar, waar het er op aankomt, “zijn mannetje staat”. Maar hij moet “eerlijk” zijn, d.w.z. zonder aanleiding mag hij niets of niemand kwaad doen.
Men hoort in dit verband ook wel den term “scherp” gebruiken.  Het is een vergissing dit met wantrouwend te vertalen. Ofschoon “scherp” geen nauw-omlijnd begrip is, kan wel gezegd worden, dat het zeker niet met wantrouwend te vereenzelvigen is. Veeleer is paraatheid, op zijn qui-vive zijn, klaar zijn om zoo noodig, te reageeren, hiervoor de goede omschrijving. Dat “wantrouwen” is een erfenis van het vroeger gebruikelijk keurmeesters-manuaal bij beoordeeling in den tentoonstellingsring. Er was nl. een tijd, de uitloopers zijn nog niet geheel verdwenen, waarin men meende dat de ware aard van een hond op een tentoonstelling getoetst kon worden door allerlei onverwacht bewegen, bedreigen en meer of minder krachtig aanraken van het dier. Het gevolg van deze gewoonte was, dat eigenaars die een goed figuur wilden maken, hun dieren bij voorbaat op dergelijke proeven gingen trainen. Daaruit ontstond tegenover derden in het algemeen een aangeleerde, wantrouwige houding, maar dat heeft niets te maken met het begrip “scherpte”.

Vanwaar komen de gebruikshonden, wat zijn het voor dieren?
Het moet den niet-ingewijde vreemd in de ooren klinken, dat we onze gebruikshondenrassen in de kynologie hebben, doch dat de honden die de africhters geschikt maken voor practischen dienst niet gerecruteerd worden uit de fokproducten der kynologen, die de gebruiksrassen voeren.
Is de prijs mogelijk een beletsel, zal men veronderstellen, als men hoort dat toevalsproducten uit honden van particulieren het stammateriaal zijn, waaruit de practische werkhond voortkomt.
Neen, niet de prijs doch de geschiktheid voor het doel, geeft den doorslag.  Rashonden behooren dus tot de uitzonderingen bij de keuringen voor het dienstcertificaat!
Laat de kynoloog zich niet in de war laten brengen als hij in verslagen van diensthondenkeuringen en wedstrijden leest van deelnemende B.H., H.H., D.H., bouviers e.d.
Deze aanduidingen berusten op de opgaven der eigenaren, niet-kynologen. In dezen kring is de maatstaf voor rasbepaling ongeveer de volgende: gele, kortharige herder = Mechelaar; 
gestroomd kleurige hond = Hollandsche herder; 
zwarte, gecoupeerde hond met ingekorten staart = bouvier, en zoo maar voort.
Zeker, er zijn genoeg knappe dieren onder, goed van postuur  -een hond behoeft immers niet van een bepaald ras te wezen om ‘knap’ te zijn- maar rashonden in den zin der kynologen, zijn het niet.  Veel africhters zijn de stellige meening toegedaan, dat het beste materiaal voor hen bij uitstek gevonden wordt onder de dieren van wilden fok. Ze vergeten daarbij dat zulke dieren gemeenlijk de beste karaktervormingsperiode tijdens het opgroeien doorgemaakt hebben. Het behoeft geen betoog, dat de toestand van thans den gebruiker niet kan bevredigen. Het blijft een zoeken en probeeren; men komt niet stelselmatig van een goeden hond op een zoo mogelijk nog betere afstammeling. Een stelselmatig opvoeren is uitgesloten.
De africhters, de gebruikers van diensthonden kunnen als regel niet fokken. We kennen gebruiks-rashonden van de tentoonstelling en in aansluiting daaraan fokkers van gebruiks-rashonden. Maar de africhters kunnen met deze honden geen resultaten bereiken. Zij trachten dus zichzelf te redden en zeggen: als ik geen goeden dressuurhond kan koopen en een ander fokt ze niet, dan zal ik probeeren ze zelf ze fokken. Gevolg: wilde paring van een willekeurigen, goede rasloozen diensthond met een teef waarvan men meent eenige verwachting te mogen koesteren. De resultaten vallen als regel tegen, maar hoe kan het ook anders? De niet-dressuurhonden vinden geen afnemers en zoo zijn de kosten van het fokken extra zwaar. Dat blijft gemeenlijk bij één keer.
Daartegenover de gebruiksrasfokker-kynoloog; als zijn fokproducten maar mooi zijn (mooi is gemakkelijker te bereiken dan bruikbaar!), vinden ze wel koopers, dus hij redeneert: mooi ras gaat mij boven het andere. Toch blijkt ook dit voor hem niet de ideale oplossing, want de gebruiksrassen floreeren niet, tenzij ze op andere wijze ruggesteun krijgen. Het is duidelijk, dat een gebruiks-rashond, die geen gebruikshond is het moet afleggen tegen de honden van andere rassen, die fijner besneden, eleganter, voornamer zijn.
Inderdaad, alles met alles een zeer ongezonde toestand.

Hoe goede werkhonden te fokken?
Waar de feiten zoo staan zal men geneigd zijn te vragen: Is dan die goede aard die ware natuur, dat gewenschte karakter van den diensthond een buitennissig iets, dat zoo maar uit de lucht komt vallen? Iets dat zich meestal schuil houdt, om zoo nu of dan op grillige, ongebonden wijze te voorschijn te treden?
Stellig niet. We weten thans wel zeker dat de overerving van de inwendige eigenschappen en daaronder de geestelijke  -als ik ze zoo noemen mag- aan dezelfde voortplantingswetten gehoorzamen als die van den uitwendigen vorm en bouw van het dier. Daarin ligt opgesloten, dat wilde fok met raslooze dieren bij voorbaat tot mislukking gedoemd is; het zal teleurstelling en geen bevrediging kunnen brengen, het moet probeeren blijven.
Daartegenover weten we, dat rasdieren hun eigenschappen, waarvoor ze fokzuiver zijn, overbrengen op de afstammelingen. Rasdieren in het bezit van de gewenschte natuur, zullen hierbij het uitgangspunt moeten vormen. En het spreekt wel vanzelf, dat de liefhebbers der gebruiks-rashonden, die als fokkers reeds bijeen zijn in rasvereenigingen, de aangewezen personenvoor de uitvoering zijn.
Hier komt echter een ‘maar’.............. Om het gewenschte resultaat te bereiken, zal binnen het ras streng geselecteerd moeten worden en daarbij zal wel eens een ‘ster’ geëlimineerd worden!  Dus tweeërlei fok-richting binnen het ras? De tentoonstellingshond, mooi maar onnut en de hond voor het werk, minder adellijk maar bruikbaar voor het doel. Zoo’n tweezijdige fokrichting is misschien niet onmogelijk, maar geeft zeker versplintering en verwarring. Maar waarom zou de rasvereeniging zelf niet den koers wijzigen? Is het eigenlijk niet in flagranten strijd met het doel van een gebruikshond-vereeniging, dat fokken uit onbruikbare ouderdieren?
Of is bruikbaarheid niet het hoofdkenmerk van een gebruiksras, ja, een kenmerk waaraan alle andere eischen ondergeschikt zijn omdat het zwaarder weegt dan alle andere samen? Ik wil niet propageeren, dat binnen de vereeniging alleen gefokt zou mogen worden met honden die hun bruikbaarheid bewezen hebben  -welk een storm zou boven mijn hoofd losbarsten!- maar het moest wèl vanzelfsprekend zijn, dat niet gefokt werd met dieren behept met eigenschappen, waardoor ze zeker onbruikbaar zijn. Zenuwpatienten, angstbijters, bange, zielige dieren -ze kunnen nog de hoogste tentoonstellingseer behalen!- moesten onvoorwaardelijk uitge-schakeld worden, al zijn ze nog zoo fraai en al zal een opponent fluks komen aandraven met een voorbeeld dat een bruikbare hond zijn ontstaan dankt aan zoo’n misbaksel. Met het kaf gaat ook wel eens een enkele graankorrel teloor! De rasvereeniging zal uiteraard niet kunnen verhinderen, dat toch met dergelijke dieren gefokt wordt. Neen, dat maakt de fokker zelf uit; maar wél kunnen onbruikbare dieren uitgesloten worden van tentoonstellingseer, de gangmaker voor den afzet der fokproducten. Men zal eens zien hoe gauw zoo’n fokker er dan de aardigheid af heeft.

Door samenwerking van de beide belanghebbende groepen van liefhebbers zal het gemeenschappelijke doel bereikt kunnen worden: gebruikshondenrassen, die den naam met eere dragen.
Het zou te veel ruimte vragen de uitvoering hier in bijzonderheden te bespreken. Men zal met bezwaren komen aandragen: ze kunnen en zullen zeker ondervangen worden; er zijn moeilijker problemen tot oplossing gebracht! Hoofdzaak is dat de vurige wil om het doel te bereiken er is. Het wil er bij mij niet in, dat onze hondenmenschen zoo dwars zouden zijn niet mede te willen werken om de bestaande anomalie in den korst mogelijken tijd te doen verdwijnen.

Dr. W. van den Akker.

(wezen) in mooi Hollandsch.