Zooals men weet bestaan allerlei meeningen over het eerste ontstaan van tamme honden uit wilde voorouders. De meeste schrijvers vergenoegen er zich mee, de gelijkenis van bepaalde hondenrassen met in het wild levende soorten van canidae na te gaan, en wanneer dan blijkt, dat ergens bij een vrij primitief volk honden voorkomen, die inschedel of grootte of tandformule veel overeenkomst hebben met een in die buurt levende soort van jakhalzen of wolven, dan ligt het voor hen voor den hand, dat die hond van dat wilde dier afstamt. Wanneer men dan echter, zooals wij, wat méér ervaring heeft van het tam maken van dieren van wilde soorten, dan gaat men inzien dat de zaak niet zoo eenvoudig is. Een groote gelijkenis in anatomischen bouw kan wel wijzen op bloedverwantschap, maar iets heel anders is toch de vraag of het wilde dier, dat op het tamme lijkt, ook werkelijk de stamvader is, in den zin, dat men dieren van deze wild levende soort heeft getemd en tot huisdieren gevormd. Het is bij sommige wilde diersoorten heelemaal niet moeilijk om een jong dier geheel tam te maken, zoo dat het volkomen vertrouwelijk wordt, maar in de eerste plaats geldt dat allerminst voor alle soorten van een familie, en ten tweede is een door en door tam dier uit een wilde soort nog geen huisdier. Zoo wordt een jong haasje zoo mak als een poes, maar ons wilde konijntje is practisch ontembaar, de gewone grijze rioolrat is goed tembaar, maar de zwarte huisrat heelemaal niet. En nu geldt voor de canidae, dat de groote wolven en de jakhalzen goed tembaar zijn, evenals de meeste vossen, ook de Australische dingo, maar de andere wilde echte honden, Zooals de Adjag en de meeste prairiewolven zijn heel moeilijk of onmogelijk te temmen. Maar ook al zijn de meeste soorten van vossen heel goed tam te krijgen als men de pups jong genoeg tusschen de menschen neemt, het is toch m.i. vrijwel uitgesloten dat men uitgaande van getemde vossen een hondenras kan maken. De vos immers mist van nature de neiging om zich ook op volwassen leeftijd bij den mensch aan te sluiten en zich te laten beheerschen. Tamme vossen zijn vaak buitengewoon vriendelijk en aanhankelijk, maar hen ontbreekt volkomen alle gezeggelijkheid, gehoorzaamheid. Het zijn geen kudde- of groepdieren. Men kan een tamme vos wel met wat lekkers of door de verwachting van een spelletje bij zich krijgen, maar het is volkomen nutteloos om een tamme vos het eenvoudigste bevel te geven. Men kan probeeren het dier iets te leeren doen, of iets af te leeren, maar ook al lukt dat een beetje, men kan er nooit op rekenen, en toeroepen of fluiten is volkomen nutteloos. De wolven en prairiewolven zijn op dat punt heel anders, de groote wolf is van nature goed gehoorzaam, een eenvoudige waarschuwing is altijd voldoende om te maken, dat het dier iets doet, waarin hij eigenlijk geen zin heeft, of iets nalaat, wat hij graag zou doen, hij beheerscht zich en laat zich hierbij ook weer door den baas leiden. Primitieve menschen zijn er vaak dol op, jonge dieren op te fokken en tam te maken. Maar het hangt heelemaal van de heele situatie, van de dierensoort en van de omgeving af, of zulke tamme beesten ook als ze volwassen zijn en zich gaan voortplanten, al dan niet weer verwilderen. Ik kan het me heelemaal niet voorstellen, van welke hondachtige soort ook, dat ook volkomen tamme jonge dieren in het land zelf, waar hun eigen soortgenooten wild rondloopen, op den duur tam blijven en onder den invloed van hun baas. En daarom stel ik mij de zaak zoo voor, dat honden ontstaan kunnen in die gevallen, waarin men getemde exemplaren van een wilde soort ergens heen meeneemt, waar die wilde soort niet inheemsch is. Zulke gevallen zijn ook bij primitieve menschen heelemaal niet zeldzaam, bij allerlei reizen en trekken sleept de mensch de raarste dingen en de meest nuttelooze beesten mee. Een getemde wolf of coyote of een tamme jakhals, wien men wat vrijheid geeft in een land, waar zijn soortgenooten niet rondloopen, heeft groote kans om te kruisen met de soort, die in hetnieuwe land wél inheemsch is.Een goed voorbeeld is dat van het konijn en de haas. Waar wilde konijntjes komen kan men geen tamme konijnenmoer vrij laten rondloopen, zonder groote kans, dat ze verwildert. Maar ik ken al enkele gevallen, waarbij een konijnenmoer, die vrij rondliep, in een streek zonder konijntjes, door een wilden haas gedekt werd en bastaarden voortbracht. En tallooze malen worden ook hondenteven door wildlevende coyotes en door groote wolven gedekt. Uit onze eigen proeven met wilde diersoorten in de kooi hebben wij heel sterk den indruk gekregen, dat uit één wilde soort geen huisdier kan ontstaan, maar dat een huisdier waarschijnlijk wel altijd zal ontstaan uit een door kruising sterk variabel geworden groep. Zoo zagen wij bijvoorbeeld in de nakomelingschap van twee volkomen ontembare soorten van ratten, echte tamme, goed tembare dieren ontstaan, en dat is misschien het eerste werkelijk bewezen geval van den oorsprong van een huisdier uit wilde voorouders onder wetenschappelijke controle. Het lijkt ons praktisch onmogelijk, dat ook na verhuizing naar een vreemd land, uit dieren van één soort een echt huisdier zou kunnen ontstaan. Iets heel anders is echter de situatie nadat men eenmaal een huisdier heeft verkregen, dus een diervorm, die op een of andere manier zoo is geworden, dat de groep is aangepast aan het gebruik door den mensch. Immers nu kan het huisdier verder varieëren en ook verder kruisen met andere wilde soorten. Een mooi voorbeeld is dat van het fretje. De fret is stellig geen getemde bunzing! Maar waar dat beest dan ook vandaan is gekomen, (en mogelijk is het, dat de Oost-Europeesche bunzing het eerst voor fretteeren gebruikt is), men heeft telkens weer opzettelijk en ook zonder het te willen, fret-bunzing bastaarden gefokt. En deze bastaarden, die voor fretteeren ook nog wat erg fel zijn, geven, met fretten gepaard, en ook onderling, weer vruchtbare nafok, zoodat het heel begrijpelijk is, dat de meeste fretten een echten bunzing-schedel hebben, en vaak ook een bunzingachtige kleur. Wat den hond betreft is het herhaaldelijk bewezen, dat bastaarden met wolf en ook bastaarden met jakhals onderling en ook weer met honden vruchtbaar zijn. Dat geldt bijv. ook weer voor de bastaarden van den heer Saarloos. Ook bastaarden van vos en hond zijn fertiel, en datzelfde geldt voor coyote-bastaarden. De vraag moet echter worden gesteld: waarom zijn dan die Indianenhonden zoo aan coyotes gelijk, en de Huskies aan wolven, als ze niet van getemde wolven afstammen, terwijl er toch maar een enkelen keer bastaarden worden geboren? We moeten ons dat zóó voorstellen, dat juist die bastaarden, beter dan geïm-porteerde honden uit andere streken, in primitieve toestanden aan het leven zijn aangepast. Zulke honden bij Indianen en Eskimo’s moeten bijna als de wilde wolven zelf voor hun eigen kost zorgen, ze verschillen van de wilde verwanten alleen maar hierin, dat het dieren zijn, die zulk een aard hebben, dat ze den mensch als metgezel en als meester erkennen. Juist in zulke groepen van honden zie zoo dicht bij een wilde soort zijn gekomen, gaat een deel van de jonge dieren, vooral een deel van de bastaarden met de wilde soort voor verdere samenleving met de mensch verloren: Zij verwilderen. Ik heb dat zelf eens een keer van heel nabij meegemaakt. Ten slotte hebben dus zulke honden veel van den erfelijken aanleg met de wilde soort van de streek gemeen. Maar die overeenstemming is op een heel andere wijze verkregen dan langs den weg, die zoo waarschijnlijk lijkt op het eerste gezicht, het directe temmen van die wilde soort. Voor alle groepen van huisdieren geldt precies hetzelfde, er bestaat één verwante wilde soort, die zulk een erfelijken aanleg heeft, dat jonge dieren makkelijk tam worden. En daartoe behooren de echt wilde honden (behalve de Dingo) stellig niet! En daarom is de waarschijnlijkheid groot, dat het juist in elke groep zulk een makkelijk tembare soort moet zijn geweest, die voor het eerst getemd werd. En de groote variabiliteit, die we allen kennen in de meest verschillende huisdierengroepen moeten we dan verklaren als het gevolg van kruising met andere, in sommige gevallen zeker minder goed tembare, soorten. In ieder geval is er geen sprake van, dat de hond van één enkele wilde stamsoort afkomstig is, alleen reeds het feit, dat zoo veel verschillende bastaarden tusschen wilde dieren en honden gefokt kunnen worden en vruchtbaar zijn, maakt dat erg onwaarschijnlijk.
Van een genetisch oogpunt bekeken zijn de verschillende bastaarden van honden en wilde verwanten juist hierom zoo interessant, omdat uit hun voorkomen en uit hun vruchtbaarheid blijkt, hoe vele soorten aan het ontstaan van de hondenrassen moeten hebben meegewerkt. Het is dan ook geen wonder dat wij ook wat karakter betreft tusschen de tallooze hondenrassen wolfachtige rassen vinden (Husky, Malamute, Samojeed), coyoteachtige rassen zooals herdershonden, jakhalsachtige rassen zooals vele jachthonden en vosachtige rassen, zooals den Shelty en den ouden collie. De zeer verschillende karaktereigenschappen en aangeboren neigingen voor bepaalde handelingen (manieren van jagen bijv.) moeten we ten deele opvatten als berustend op combinaties van erfelijke ontwikkelings-factoren, die we ook in de wilde soorten al in actie zien. Door selektie in groepen, die ook op dit punt door kruising variabel, geworden zijn, is het mogelijk geweest ook op het punt van de karaktereigenschappen even frappante en overdreven eigenschappen te produceeren als op het punt van kleur of lichaamsvorm.